blog

blog-week 27

De nullijn

Week 27

Vakanties beitsen herinneringen in ons leven. Het zijn de ankers van ons geheugen. Gekoesterd door de mediterrane zon, het zout van de zee nog plakkend op mijn huid, weet ik dat het voorbij gaat, dit klein geluk, straks als de regen weer striemt en de dagen korter worden. De foto’s – niet langer zorgvuldig gemaakt met een analoge spiegelreflexcamera, maar snel geschoten met een smartphone – kunnen de geur van zonnebrandolie niet terughalen. Welke kerk ook nog maar weer waar stond, ik zal het vergeten, te snel.
Totdat het weer vakantie wordt. Herinneringen aan het vorige jaar, en het jaar daarvoor, borrelen op als ondergrondse geisers; dat mooie uitzicht van het huisje in Umbrië, het vrijstaande huis in de Dordogne toen bleek dat de kinderen pubers aan het worden waren. ‘Weten jullie nog?’ vraag ik en ja, ze weten het nog, dat onontdekte paradijs in de vallei waar het opeens ging stormen, of die keer, lang geleden al, toen de middelste dochter een steen tegen haar hoofd kreeg en voor dood tegen mij aan bleef liggen. Dat er zoveel mensen scheiden na een zomervakantie, zou je niet zeggen als je de foto’s op Instagram en Facebook beziet. Al die vrolijke herinneringen, waar Facebook ons inmiddels ook ongevraagd aan herinnert. Een jaar geleden, vijf jaar geleden, weten jullie nog?
Dit jaar wroetten onze herinneringen verder in de tijd. Beide ouderparen, inmiddels overleden, kwamen in onze zomeravondgesprekken levendig naar voren. Mijn kindervakanties konden nogal stressvol zijn, met vijf kinderen in een volgepakte auto en een vader die eigenlijk overwerkt was. Maar mijn moeder had alles onder controle en wist aan de hand van lijstjes op twee beduimelde kladblokblaadjes (ze deden jaren dienst) alle kampeerspullen te ordenen. De slaapzakken werden over de achterbank van de auto gelegd, de tent op de imperiaal op het dak. Het enige wat mijn vader verzorgde was de verbanddoos; een vierkante, met leer beklede, cognac kleurige doos, waarin alle mogelijke antipsychotica zaten, maar vaak geen pleisters.
Als we aankwamen op de plaats van bestemming, ging mijn vader op een stretcher liggen en zetten wij de tenten op. Als hij hielp, ging dat vaak met gevloek gepaard. Maar na de slaap kwam de ontspanning en volgden eindeloze tochtjes, naar steden die inmiddels bijna ten onder gaan aan het massatoerisme. Ik hoor mijn vader nog spreken over de familie De Medici en uitleggen dat de ronde bollen op hun familiewapen pillen werden genoemd. Ik schreef erover in mijn roman Gloria in excelsis Deo.
Mijn moeder was een stabiele, opgewekte en bijzonder zelfstandige vrouw. Het Nederlandse klimaat bood volgens haar goede condities om lekker hard te werken. Ze hield niet van zonnen en zal met vijf kinderen tijdens de vakanties minder aan zichzelf zijn toegekomen dan mijn generatie vrouwen. Toch zag ze er elk jaar tegenop om na de vakantie weer naar huis te gaan. Het was de enige keer in het jaar dat iets van melancholie haar gemoed kleurde, een melancholie die mij minder vreemd is. Zittend in de ondergaande zon van Zuid-Italië zou ik daarover graag nog eens met haar van gedachten wisselen. Waar ze bang voor was. Wat ze miste. Hoe ze daarmee omging.

Een avond om niet te vergeten.

blog-week 26

De nullijn

Week 26

Wat zou de in Milaan geboren celliste Silvia Chiesa (1966) hebben gedacht toen ze het nieuws hoorde dat chefdirigent Daniele Gatti (1961) van het Koninklijk Concertgebouworkest met onmiddellijke ingang was ontslagen wegens – vermeend – seksueel onacceptabel gedrag jegens meerdere vrouwelijke orkestleden? Mij bereikte het nieuws, terwijl ik in Italië verbleef, het geboorteland van Gatti, berucht en beroemd om zijn temperament. Ik stelde me voor dat mevrouw Chiesa een van haar betere vriendinnen belde. Zulk nieuws over je ex kan je toch moeilijk alleen verwerken. Reputatie is in de internationale kunstwereld belangrijker dan talent. Van talent kun je niet leven, van sponsorcontracten wel.
‘Bongiorno, Alicia. Met Silvia.’
‘Cara Silvia, ik heb het al gelezen. In the Washington Post. Dat wil zeggen, ik las het in de Corriere della Sera. Het zijn oude incidenten, Silvia. In 1996 en 2000. Het waait wel over.’
‘In 1996 en 2000 was ik nog getrouwd, Alicia.’
‘Ik weet het, cara. Je bent niet voor niets gescheiden.’
‘Hij heeft het weer gedaan.’
‘Wat bedoel je?’
‘In Amsterdam. Ze hebben hem ontslagen.’
‘L’Orchestra Reale?’
‘Si.’
‘Oh, povera. Dat kunnen ze toch niet maken? Geruchten zijn het.’
‘Alicia, alsjeblieft. Je zei het net zelf. Ik ben niet voor niets bij Daniele weggegaan.’
‘Hij schaadde je carrière.’
‘Hij schaadde mij. Het was zo vernederend. Maar ik heb van hem gehouden, Alicia.’
‘En hij hield van jou.’
‘Nee. Hij hield van mijn belofte als celliste.’

Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden anders dan in mijn hoofd. Maar sinds ik het nieuws van Gatti hoorde, dacht ik vooral aan Silvia Chiesa. Ik dacht aan de Zweedse mezzosopraan Anna-Sophie von Otter die de #Metoo beweging onlangs de zelfdood van haar echtgenoot Benny Fredriksson verweet. Von Otter was bijna dertig jaar met Fredriksson getrouwd. Ik dacht ook weer aan de journaliste Anne Sinclair, de derde echtgenote van oud IMF-topman Dominique Strauss-Kahn die pas na de zoveelste onthulling van de seksuele escapades van haar echtgenoot zich van hem liet scheiden. Al die vrouwen achter die mannen. Hun schaamte. Hun verdriet. De lulligheid ook. In de catacomben van het Concertgebouw naar de borsten van een fluitiste turen en iets in je moedertaal fluisteren over passie en verzengend vuur, over langzame tempi en de noodzaak je helemaal te geven. En dan ’s avonds thuiskomen. Je eigen uitvoering van de tweede symfonie van Mahler opzetten, die uitvoering die je gaf in september 2016 toen je net was aangenomen als chefdirigent van een van ’s werelds grootste orkesten. Midden in de kamer van je appartement aan het Vondelpark staan en meebrullen met het slotkoor. Sterben werd’ich um zu Leben. De spanning hallucinant opbouwen, zoals de Volkskrant destijds schreef, en zeker weten dat je zult opstaan en eeuwig leven, Aufersteh’n, ja, aufersteh’n en naar God zult worden gedragen.
De stilte daarna.
En dan dat ene telefoontje.
‘Dag Daniele. Je spreekt met Silvia.’

blog-week 25

De nullijn

Week 25

In een tijd waarin alles openbaar is, groeit de behoefte aan beslotenheid. Wat eigen is, moet worden afgeschermd. Wie persoonlijk geïnspireerde artikelen schrijft, zoals ik onlangs deed in de Volkskrant, kan weerwoord verwachten. De maatschappelijke discussie komt het ten goede, de persoonlijke verhoudingen vaak niet.
Bekentenisliteratuur is even kwetsbaar als confronterend. Onlangs herlas ik de liefdesbrieven van André Brink en Ingrid Jonker, uitgegeven onder de titel Vlam in de sneeuw. Hoewel beiden schrijvers waren en verlangden naar lezers, bekroop mij bij het lezen van hun brieven toch ook vaak het gevoel getuige te zijn van een relatie die geheim had moeten blijven. Het is de strijd van elke kunstenaar; hoe ver ga je in de openbaring van je talent als daar anderen bij betrokken zijn?
Tijdens het schrijven van levensverhalen valt me telkens weer op dat mensen alles willen zeggen, maar niet alles willen vastleggen. Biecht en zelfcensuur houden elkaar in evenwicht. Schrappen wat er wel is, maar niet had moeten zijn, is een krachtig middel om schaamtevolle ervaringen of pijnlijke herinneringen uit de weg te gaan. Wie schrijft die blijft, luidt het gezegde en dat geldt ook voor het geschrevene. Als het eenmaal ergens gedrukt op papier staat, is het waar en voor altijd.
Maar dat is niet zo. Wie weet nog wie Carry van Bruggen is, de joodse schrijfster die met haar autobiografische verhalenbundel Het huisje aan de sloot in 1921 enige bekendheid verwierf? Van Bruggen had veel te verbergen. Ze leed aan klinische depressies en rond haar dood in 1932 bleef veel onduidelijk door het stevige gebruik van slaapmiddelen. Wie leest nog Anna Blaman in wier hele oeuvre de strijd met haar homoseksualiteit van de bladzijden spat? Is het waar wat deze vrouwen schreven, echt als in “zelf beleefd”, dus persoonlijk? De boeken van beide schrijfsters liggen ongetwijfeld in het archief van de Koninklijke Bibliotheek. Dat is waar. Voor de rest raken hun namen verstrikt in vergetelheid.
Daarvan gaat een grote troost uit. De strijd die wij vaak strijden, om wat persoonlijk is en wat niet, om wat wel gezegd moet worden en wat verzwegen moet blijven, zal uiteindelijk door de tijd teniet worden gedaan. Zelfcensuur is niet goed, denk ik. Door het onderdrukken van de dingen die zijn zoals ze zijn, vergroeien mensen in hun eigen schaamte en angst. Maar al te veel openbaring van wat in kleine kring moet blijven, brengt ook schade toe, al is dat meestal onbedoeld.
‘Een goede schrijver moet nietsontziend zijn,’ hoorde ik een kennis eens zeggen. Ik was het met hem eens, maar voelde ook de spanning die aan zijn stelling ten grondslag lag. Ik ga in mijn komende geschriften proberen eerlijk te blijven, tegenover mijn talent en mijn omgeving. Maar over sommige ervaringen zal ik leren zwijgen of schrijven zoals de dichter Martinus Nijhoff het verwoordde: lees maar, er staat niet wat er staat. En ook: Liefde wordt nooit vergeefs vertrouwd.

blog-week 24

De nullijn

Week 24

White privilege. Zo was het niet bedoeld. Dus dat is nogal naïef van deze #deugmuts. Gepubliceerd in de Volkskrant, en vervolgens ook verguist. Dat heet discussie.

 

 

 

blog-week 23

De nullijn

Week 23

Omdat de zomer zo genadig blijft branden en alle ramen in de straat openstaan, kan ik de finale van het WK voetbal volgen zonder televisie te kijken. De laatste keer dat Nederland in de finale stond – in 2010 – keek ik evenmin. Ik zat destijds driehoog op het balkon van de beste vriend van mijn man en keek naar de binnentuin beneden. Te bevangen door de spanning, zoals mijn vader dat ook was in 1974, toen we bij vrienden in Meppel naar de wedstrijd tegen Duitsland keken. Ik was toen nog geen acht jaar oud, mijn jongste zusje was nog geen jaar dood.
In 1978 keken we en famille op vakantie in een café in Frankrijk, waar wij als Nederlanders met gejuich werden ontvangen. Jorge Videla was in Argentinië aan de macht en van Jorge Zorreguieta had nog niemand gehoord. Zijn jongste dochter Ines was nog niet geboren (maar inmiddels wel gestorven) en dat zijn dochter Maxima onze koningin zou worden, had niemand voor mogelijk gehouden, het “bloed aan de paal” van Bram & Freek indachtig.
Mijn man en mijn jongste dochter kijken nu weer naar de finale van een WK voetbal, bij diezelfde, nog steeds beste vriend die inmiddels bij ons om de hoek woont. Ik volg de wedstrijd in onze eigen binnentuin, zonder beelden, op de golven van het geluid. Ik weet niet wie juicht voor wie. Mijn dochter is voor Kroatië, omdat ze het leuk vindt dat een onbekend klein landje met 4,5 miljoen inwoners kan winnen van een oude koloniale supermacht. Dat Luka Modric op Johan Cruijff lijkt, helpt ook.
Dat Kroatië in de Tweede Wereldoorlog een fascistische vazalstaat van Duitsland en Italië was waar in diverse concentratiekampen Joden en zigeuners werden omgebracht, is in deze negentig minuten geen nieuws. Dat de mannen die nu op het veld staan als kinderen moesten vluchten voor het oorlogsgeweld in de onafhankelijkheidsstrijd van de jaren negentig, doet de hoop op een overwinning in Moskou alleen maar opflakkeren. Alle schaduw van de geschiedenis kan teniet worden gedaan in het licht van de zon die nu schijnt.
De beste vriend van mijn man is niet vanzelfsprekend mijn beste vriend geworden. Hij heeft ooit eens iets onaardigs gezegd over de ogen van Eva Jinek, ik werd daar als jonge moeder van drie dochters heel boos over, en sindsdien knikken we beleefd naar elkaar. Mijn man heeft jaren later in het huis van deze beste vriend iemand ontmoet met wie hij bevriend raakte op een manier die mij voor even buiten sloot. Nu schijnt de zon in onze binnentuin en plant ik twee kersenbomen, terwijl een paar huizen verderop mijn dochter haar adem inhoudt. Laat Modric scoren. En als Nederland over vier jaar weer meespeelt op een nieuw WK, bloeien de kersen. Dan kijken we met z’n allen.

blog-week 22

De nullijn

Week 22

In 2000 verscheen in dagblad Trouw de interviewserie ‘Kind van de wederopbouw’. In de serie beantwoordden twaalf meer en minder bekende Nederlanders – en een enkele Duitser – de vraag in hoeverre de oorlog, die ze geen van allen zelf hadden meegemaakt, hun mensenbeeld, zelfvertrouwen en arbeidsopvatting had gekleurd. Het zijn de beste interviews uit mijn carrière. Dat kwam door het onderwerp en de geïnterviewden, onder wie Job Cohen en zijn broer Floris, de inmiddels overleden Saskia Stuiveling en schrijfster Tessa de Loo – maar het kwam ook door de stand van de journalistiek. Er was tijd om mensen in vaak meerdere sessies een paar uur te spreken en er was ruimte om wat ze zeiden in 2000 tot 3000 woorden op te schrijven. Slechts bij een van de geïnterviewden was gedurende het gesprek een woordvoerder aanwezig, alle anderen ontvingen mij hetzij bij hen thuis, hetzij op hun werkkamer waar in sommige gevallen nog flink werd gerookt (Stuiveling, De Wijkerslooth de Weerdestijn).
Sindsdien is er veel veranderd in de (geschreven) journalistiek. Interviews moeten steeds korter en bij voorkeur afgepast in een format. 900 woorden is tegenwoordig vaak het maximum. Series worden van tevoren thematisch zo dichtgeplakt dat er weinig ruimte is voor een ander geluid. Ook de lezer is voorgeprogrammeerd: veel week- en maandbladen hebben in hun redactieformule prototypen lezers beschreven, met namen, leeftijden en hobby’s, om zo tegemoet te komen aan de grootste gemene deler. Als een geïnterviewde vervolgens niet zegt wat van tevoren in de briefing is bepaald, geldt het stuk al snel als onbruikbaar. Zeker als iemand niet bereid lijkt te persoonlijk te worden. Want emotie, dat is echt een voorwaarde. Waar het stuk ook over gaat, het moet persoonlijk zijn en dicht op de huid zitten.
Opvallend genoeg heeft deze tendens geleid tot oppervlakkiger artikelen. In Kind van de wederopbouw kwam ik veel dichter op de huid van mijn gesprekspartners dan in welke geformatteerde serie dan ook. De opdracht vooral “persoonlijk” te worden in interviews, leidde de laatste jaren steeds vaker tot gecontroleerde afstand, zorgvuldig bewaakt door woordvoerders of, nog erger, marketeers. De mens als product moet in de markt worden gezet en daar heeft hij of zij soms nog een journalist voor nodig (al duurt ook dat niet lang meer). Journalistiek is handel in ijdelheid. Maar waar ooit oprechte belangstelling kon leiden tot fundamentele overwegingen over thema’s als het kwaad, of vergelding, of vergeving, of ethiek, en de lezer na lezing van het interview nog lang kon nadenken over wat hij er zelf eigenlijk van vond, gaat het tegenwoordig steeds vaker om makkelijk te verteren stukken met een leestijd van niet meer dan vijf tot zeven minuten die je ook weer snel kunt vergeten.
Er zijn uitzonderingen op de regel, natuurlijk. Carolina Lo Galbo – wat mij betreft de beste interviewer van Nederland – schreef onlangs bijvoorbeeld een prachtig interview met Max van Weezel in Vrij Nederland. Doorgaans zijn journalisten die journalisten interviewen heel vervelend, maar dit stuk gaf een diep inzicht in de worsteling van een heel zieke man, zijn verhouding tot zijn ouders, echtgenoot en dochter, de ontwikkeling van de naoorlogse parlementaire journalistiek in Nederland en de donkere echo van de oorlog die nog altijd weerklinkt.
Ik wilde journalist worden om zulke verhalen te vertellen. Om dezelfde reden trek ik mij nu langzaam uit het vak terug. Voor 400 euro en in 900 woorden kan ik niet de vragen stellen die er volgens mij toe doen. Daarom schrijf ik inmiddels fictie en daarom studeer ik met het doel geestelijk verzorger te worden. Om vragen stellen zonder format. (En overigens ook zonder G’d).

blog-week 21

De nullijn

Week 21

Ze zou 49 jaar zijn geworden. Anna. We vierden haar jubeljaar op de begraafplaats Westerveld in het Noord-Hollandse Driehuis. Het was prachtig zomerweer, de zon streelde de rouwvelden. ‘Zulk mooi weer was het ook toen ze werd geboren,’ herinnerde haar moeder zich. ‘Elk jaar nadien was het mooi weer op 26 juni.’
Ik leerde Anna kennen op de Universiteit van Amsterdam waar zij rechten studeerde, en ik ook. Hoewel we beiden wisten dat we nooit een toga zouden aantrekken, vonden we elkaar in de liefde voor het schrijven; we publiceerden in het faculteitsblad Alibi en zij schreef haar eerste feuilleton dat ‘Lot’ heette. Zo heet haar moeder ook. Later schreef Anna het boek De zondagsvrouw waarin ze verhaalt over de tumor die in haar hoofd groeit. Elf jaar liep ze er mee rond. De manier waarop zij haar ziekte onderdeel maakte van haar leven, beïnvloedde het mijne. Ze durfde hulp te vragen en liet mij dichtbij komen. Ik weet nog glashelder hoe we naar de bestraling in het Amsterdam VU ziekenhuis reden en zij bijna haar evenwicht verloor, waardoor we een rondedansje op de parkeerplaats maakten. Hoe ik haar uitkleedde en zij nog een opmerking over een of ander leuk jurkje kon maken. Hoe ze het masker opzette dat speciaal voor haar mooie ronde hoofd was gemaakt. Hoe ze iedereen van de afdeling oncologie bedankte na afloop van de bestraling.
Nog geen jaar voor haar dood trouwde Anna in de achtertuin van haar woning met R. Hij is het die elk jaar haar verjaardag viert tussen de urnen van Westerveld. Op hun huwelijk kwam de burgemeester langs, hij die luisterde naar de naam Eberhard. Hij vertelde het verhaal van een joodse man die vlak na de oorlog in New York werd aangesproken. Of hij niet happy was dat hij in de VS was ten tijde van de oorlog. Dat het toch fijn was dat Amerika hem gastvrij had opgevangen. ‘Yes, I’m happy,’ had de man geantwoord. ‘Aber glücklich bin ich nicht.’

blog-week 20

De nullijn

Week 20

De moeder de vrouw. Het thema van de komende Boekenweek maakt de tongen los. Schrijfsters en schrijvers tekenen een open brief aan het CPNB om hun ongenoegen kenbaar te maken over de keuze twee mannen het Boekenweekgeschenk en -essay te laten schrijven over hun moeders. Waarom geen schrijvende moeder zelf aan het woord laten? Waarom vrouwen reduceren tot die ene waarheid die hun identiteit al eeuwen bepaald, namelijk die van het moederschap?
Mijn man vindt de ophef onzin. Wat is er nou een mooier thema dan de moeder? Wie is er sterker, troostrijker, liefdevoller dan zij? Wie strekt meer tot voorbeeld dan die ene onvervangbare vrouw? ‘Jij doet toch religiewetenschappen?’ probeert hij zijn mening nog eens extra te beargumenteren. ‘In al die verhalen komt toch altijd weer de kracht van de vrouw aan bod, zij die het leven schenkt?’
‘In al die religies komt vooral naar voren dat vrouwen wereldwijd worden onderdrukt,’ reageer ik. ‘Ze moeten een pruik op, of een hoofddoek, of kinderen baren met grote smart, zoals in de Bijbel staat. Ze worden uitgehuwelijkt, als hoer geportretteerd, moeten met hun vader naar bed, of mogen alleen voor de kinderen zorgen.’
Daar had mijn man niet bij stilgestaan.
Het gesprek verried een diepgeworteld verschil tussen mannen en vrouwen en de discussie over identiteit die op dit moment zo fel wordt gevoerd. Het ligt namelijk niet aan de persoonlijke naïviteit van mijn man dat hij er zo over denkt. Mijn broer denkt precies zo over zijn moeder (die dus ook de mijne is). Veel mannen hebben een heel ander beeld bij het woord “moeder” dan vrouwen. Voor veel mannen is de moeder de ultieme vrouw. Voor veel vrouwen is zij de spiegel waar niemand te lang in wil kijken. Want moeders, weten wij vrouwen maar al te goed, doen het nooit goed.
Dat geldt zeker voor de schrijvende moeders onder ons. Op een enkele columnist na hebben wij geleerd ons moederschap vooral geen onderwerp van onze boeken te laten zijn. Want zodra je moeder bent, ben je voor de literatuur verloren. Een collega van mij kreeg het letterlijk te horen, nadat ze haar tweede kind had gebaard: “Nu krijg je nooit meer een prijs”. Dat ik mijn roman Gloria in excelsis Deo liet beginnen met een bevalling, deed de verkoopcijfers geen goed.
De ultieme moeder zet geen woorden op papier, maar bakt  brood. De ultieme moeder oefent liever Franse woordjes dan dat ze woedende gedichten kneedt. De ultieme moeder houdt het gezin drijvend, terwijl vaders vreemdgaan, te veel drinken, te hard werken, of ingewikkelde recensies schrijven over onbegrijpelijke boeken.
Ik draag mijn binnenkort verschijnende roman Echo op aan mijn moeder. Strafrechter. Moeder van zes.

blog-week 19

De nullijn

Week 19

Sporters worden er al op jonge leeftijd mee geconfronteerd. Afscheid moeten nemen van wat je lief is. Dat gebeurt zelden vrijwillig, maar de tijd en het lichaam zijn streng. Blessures, het verlies van conditie en concurrentie van meedogenloze jongere talenten dwingen tot het besef dat afscheid nemen bij het leven hoort als de dood.
Partir c’est mourir un peut, dichtte de Franse schrijver Edmond Haraucourt (1875-1941) in zijn Rondel de l’adieu, en zo is het. Afscheid nemen is een beetje sterven aan wat men lief heeft, on laisse un peu de soi-même / en toute heure et dans tout lieu. De sporter wiens lichaam het langzaam laat afweten, wordt tot het afscheid gedwongen, maar hoe zit het met het vrijwillig afscheid dat wij nemen van geliefden, collega’s, vrienden, een baan of een dierbare hobby? Waarom dwingen wij onszelf in het keurslijf van verandering als afscheid nemen zo pijnlijk kan zijn?
In mijn leven heb ik mij een paar keer bewust en vrijwillig losgescheurd van wat mij dierbaar was; in 1998 zegde ik – net moeder geworden – mijn vaste baan op als redacteur bij het ministerie van justitie, omdat ik de politieke en ambtelijke waarheid niet meer goed kon rijmen met wat ik met eigen ogen zag. Dit afscheid viel niet zwaar, maar betekende desondanks wel een stapje in de richting van de dood; mijn (financiële) zekerheden verdampten en de waarheid kwam niet dichterbij. Een tweede belangrijk afscheid was mijn vertrek van het kantoor De Wallenburg waar ik 15 jaar als freelancer had gewerkt. Ik hield van mijn collega’s die stuk voor stuk de drang naar vrijheid en eigenstandig denken verkozen boven een veiliger en eenduidiger bestaan. Toch liet ik los, om mijzelf opnieuw uit te vinden en het risico te lopen eenzamer te worden en juist daardoor weer creatiever. Het werkte; ik schreef een roman en een dichtbundel, werkte ruim een half jaar voor een onderzoeksinstituut dat een van de belangrijkste gebeurtenissen van de recente Nederlandse geschiedenis onderzocht, schreef opnieuw een boek over de geschiedenis van de psychiatrie. Maar ik mis mijn vrijzinnige collega’s nog altijd.
Dat gemis indachtig nam ik dit weekend opnieuw afscheid. Na in totaal vijftien jaar – met een onderbreking van zeven jaar – bij het vrouwenkoor Angels te hebben gezongen, besloot ik een paar weken geleden dat het tijd was om te gaan. Zo’n proces is even onomkeerbaar als verwarrend, want waarom afscheid nemen van wat je zoveel leert en liefde schenkt? Soms is het antwoord even schraal als waar: omdat het tijd is.
Ik zal altijd een Angel blijven. Maar na jaren in het volle licht op het podium te hebben gestaan, heb ik behoefte om minder zichtbaar te zijn. Vrouwen zijn erg op zoek naar verbinding, naar gezien worden en er mogen zijn. Mijn boeddhistische tentamen van volgende week indachtig wil ik een tijdje niet-zijn en opgaan in een verband dat groter is dan mijzelf. Daarom ben ik erg gelukkig dat ik per 1 september opnieuw ga zingen bij het Nederlands Concertkoor. Brahms, Beethoven, terug naar de bron. Wenn alle fleisch es is wie grass. En: alle Menschen werden Brüder.

blog-week 18

De nullijn

Week 18

Of ze met me mee mocht rijden, vroeg ze. Maaike. Ze kwam uit Wapserveen. ‘Daar woon ik in een leefgemeenschap.’ Ze verbouwde bijzondere groente en organiseerde af en toe een workshop. Duurzaam en zelfredzaam, dat waren haar woorden. Ze moest naar Utrecht. ‘Ik blijf een paar dagen bij een vriendin logeren. Het is wel heel afgelegen waar ik woon. De regiotaxi is afgeschaft. Soms mis ik de stad.’
Mijn vader nam ze altijd mee, lifters. Hij hield ervan met wildvreemde mensen op onverwachte momenten in de beslotenheid van een auto onderweg te zijn. De ontmoetingen waren zonder uitzondering bijzonder; een enkele lifter bleef zelfs bij ons slapen. Hun levensverhalen vulden de onze. Dat heet the comfort of strangers. Soms is het makkelijker tijdens een autorit van een uur met elkaar van gedachten te wisselen dan tijdens een avond met oude vrienden aan een lange tafel vol wijn en spijs.
Eigenlijk is het een metafoor van ons aller leven. We zijn onderweg, velen met een uitgestippeld doel voor ogen; een festival, een opleiding, hoge cijfers, veel vrienden, een baan, een relatie, een kind, een nieuwe baan, en nog een, een carrière, verre reizen, een pensioen, en ten slotte een waardig levenseinde. We vullen de kieren van ons bestaan met andere mensen die we kennen, die we vrienden noemen, of collega’s of familie. Zij bevestigen de richting die we hebben gekozen, het doel dat ons voor ogen staat. Of we kunnen ons juist tegen hen afzetten, om nieuwe doelen te bepalen en andere richtingen te kiezen.
Maar wat als er geen regiotaxi meer rijdt in jouw buurt en je op een anoniem tankstation bent aangewezen op mensen die toevallig richting Utrecht rijden?
Maaike had eerst een lift gekregen van een man die ex-militairen hielp met hun posttraumatische stress stoornis. Hij had het maar niks gevonden, zo’n meisje alleen onderweg. Zij deed het al jaren, zei ze. Ze had dwars door Europa en Israël gelift, altijd alleen. ‘Al liftend ontwikkel je een goede intuïtie.’
Vijfendertig was ze, al oogde ze tien jaar jonger. Ze geloofde in de natuur en hield van creatieve dingen, van schrijven en lezen. Ze noteerde de titels van boeken die ik noemde. Mijn eigen roman, Gloria in excelsis Deo die over de (on)mogelijkheid van maakbaarheid gaat. En het boek dat ik momenteel lees, Het einde van de eenzaamheid van de jonge Duitse schrijver Benedict Wells.
Ik vertelde dat ik Religiewetenschappen studeerde, omdat ik als journalist en schrijver mijn toekomst langzaam in de digitale beeldcultuur teloor zag gaan en graag nog lang en gelukkig aan het werk wilde blijven, ook al was ik inmiddels 51. ‘Ik wil leren hoe ik mensen kan helpen zich te verzoenen met hun levensverhaal’, formuleerde ik mijn nieuwe ambitie. ‘Als een soort dominee zonder God.’
Of ik geloofde in een leven na de dood, vroeg zij.
‘Nee,’ antwoordde ik.
‘Ik wel,’ zei ze.

blog-week 17

De nullijn

Week 17

De stad lonkt als een krolse kat. Jongeren verlaten hun geboortegrond om zich te vestigen in steeds vollere steden. Amsterdam, daar gebeurt het. Maar ook Rotterdam trekt, net als Utrecht of Maastricht. Op elkaar gepropt in veel te dure woningen per vierkante meter blijkt aantrekkelijker dan wijds leven in frisse lucht.
Verstedelijking is een wereldwijd verschijnsel. Werk is de voornaamste trekker. Maar ook de gezondheidszorg, het onderwijs en de vrijetijdsbesteding zijn in de stad kwalitatief beter dan op het platteland. Een overprikkelde jeugd zoekt als altijd nog meer prikkels. Bright lights, big city.
Hoe anders beleefden de romantici in de 18e eeuw het platteland dat zij verheerlijkten als paradijs. De Nederlandse schrijfster Elisabeth Maria Post beschreef het in haar boek Het land, in brieven, dat in 1788 verscheen. In het brievenboek corresponderen twee vriendinnen, de stadse Eufrozyne en de dorpse Emilia die de pracht van het platteland vier seizoenen lang nauwkeurig beschrijft. Eufrozyne beklaagt zich op haar beurt over de sociale druk die de stad met zich meebrengt. Op 20 juni 17xx verzucht zij bijvoorbeeld:

“Wij arme steebewoners missen de vrijheid van het land; wij moeten zuchten onder de lasten, die de zogenaamde welgevoeglijkheid ons oplegt; en in onze kleding de navolgers van anderen zijn. Dwaas bedrijf voor de vrije ziel!”

Ik herkende me in deze woorden toen ik dit Pinksterweekend met mijn oudste zus door het zonovergoten Groninger landliep. Een kievit vloog op om ons te waarschuwen niet te dicht haar nest te naderen. Kikkers kwaakten, schapen blaatten, lammeren bedelden om melk bij hun geduldige moeders. Een warme wind geselde mild de lentegroene velden waar het gras nog hoog stond om de kwetsbare weidevogels een laatste kans te geven.
Dit land loopt leeg. Verstoord door gaswinning en de economische wetmatigheid dat we groei nodig hebben. Groei waardoor de binnenstad van Amsterdam dichtslibt, de stad waar ik dit jaar 33 jaar woon, waar mijn dochters zijn geboren. De stad die mij op hakken dwong, met opera en theater verleidde, waar mijn alma mater staat en het huis dat ik het paradijs noem en waar ik de appelboom plantte.
Dwaas bedrijf voor de vrije ziel.

blog-week 16

De nullijn

Week 16

Ze zal een jaar of zeventig zijn geweest, de charmante vrouw die ik twee dagen geleden in de nagelstudio ontmoette. Terwijl haar voeten en mijn handen moesten drogen, vroeg ze om een tijdschrift. Bovenop de stapel lag het blad Mama met op de cover een vrolijk ogende vrouw van ergens achter in de twintig met twee kleine kinderen. Daaronder, in chocoladeletters: “Spitsuur!”
‘Ik geef u even een ander blad,’ zei ik en greep voorzichtig naar de Vogue die eronder lag. ‘Ik denk niet dat u nog erg geïnteresseerd bent in het spitsuur.’
Ze lachte. ‘Het is zoveel makkelijker als oma. Iedereen zegt het, je gelooft het niet, maar het is zo. Ik ben vergeten hoe ik het als moeder heb gedaan. Met twee kinderen. Je doet het. Dat is alles.’
Ze was geschiedenislerares geweest, vertelde ze. Heerlijk had ze het gevonden, ze zou het zo weer willen doen. Ook al moest ze er vijftig minuten voor forensen. Vijftig minuten heen, vijftig minuten terug. En dat als alleenstaande moeder. ‘De kinderen waren 10 en 4 toen er op een dag een briefje op de keukentafel lag. “Het gaat niet meer”. En weg was hij. Toen moest ik het alleen doen. Hup, de tent in de achterbak en kamperen met z’n drieën. In het dorp praatten ze erover. “Dat gekke mens in haar eentje”. Ik bleef toch import, ik hoorde er niet bij. Maar de meisjes zijn goed terechtgekomen. De een is arts, de ander werkt bij een museum. Het is goed gegaan.’
‘U hebt het goed gedaan,’ zei ik.
‘Ach,’ zei ze. ‘Je doet het. Dat is alles.’
Ze mist hem niet, haar ex-man. Een paar jaar geleden verruilde ze de oude gezinswoning in de provincie voor een appartement in de stad. Daar woont ze met veel plezier, in haar eentje. ‘Niet dat ik niet van mannen houd hoor,’ zei ze, ‘maar het is wel gedoe. Op mijn leeftijd hebben ze allemaal zo’n buik. Een biertje, nog een biertje, nog een. En dan dat groene grasveld dat de hele avond het televisiescherm vult. Ik ben blij dat ik daar vanaf ben.’
Haar ex-man heeft al lang een andere vriendin. Maar soms ziet ze hem nog fietsen in haar buurt, hopend dat hij haar tegenkomt, de moeder van zijn kinderen. ‘Dan zie ik hem zitten en denk ik: joh, ga naar je vriendin. Maar als je kinderen hebt, kom je nooit meer helemaal van elkaar af. Het contact is goed hoor, ook met hem en onze dochters. Maar ik mis het niet, mijn huwelijk. Ik mis eigenlijk alleen de tuin.’

 

blog-week 15

De nullijn

Week 15

Terwijl in Nederland een polemiek over hedendaags antisemitisme losbarstte[1], liep ik met mijn zangvriendin Irene door de binnenstad van Tbilisi. We waren met ons koor Angels op bezoek geweest bij ons Georgische zusterkoor Sathanao met wie we twee concerten gaven en nieuwe Georgische liederen leerden. Na een intensieve week vol muziek hadden we een ochtend vrij. Sommigen van ons gebruikten de tijd om naar een traditioneel badhuis te gaan, anderen kozen voor een rommelmarkt. Irene en ik besloten een religieuze wandeltocht te maken. We kleedden ons decent en namen een sjaal mee.
Het zindert van religie in Tbilisi. Reizend door het land met onze Georgische zusters viel het al op dat zij een kruis sloegen bij elke kerk waar we langs reden. We bezochten de Svetitskhoveli kathedraal waar volgens de overlevering de lijkwade van Jezus begraven ligt en beklommen het kloostercomplex van Ananuri waar op de oostelijke façade van de Moeder Godskerk een engel op hoge hakken was uitgehouwen. Dat schiep een band.
De kerktorens in Tbilisi kun je niet op twee handen tellen. Op zondag weerklonk uit de spelonken van de heilige huizen overal koormuziek, als eerbetoon aan hem die zo node wordt gemist op de wereld. Maar het zijn niet alleen christelijke kerken die het straatbeeld bepalen. Op nog geen halve vierkante kilometer van elkaar staan de Georgisch-orthodoxe Sioni kathedraal, de Grote Synagoge en de Jumah moskee, allemaal vrij toegankelijk, mits vrouwen het hoofd bedekken. Wat wij zonder moeite deden. De bibliotheken van de synagoge en de moskee leken op elkaar als druppels water. Alleen de talen van de uitleenbare boeken verschilden: Hebreeuws en Arabisch. Voor mij beide net zo onbegrijpelijk als het Georgisch dat op geen enkele taal lijkt.
In het David Baazov Museum of history of the Jews of Georgia and Georgian-Jews leerden we dat het antisemitisme in Georgië vrijwel onbekend was. Volgens de informatie van het museum hielpen de joden om kostbare orthodoxe iconen in hun huizen te verbergen nadat Agha Mohammed Khan in 1795 vanuit Perzië Georgië was binnengevallen. Wat dat voor de Georgische moslims betekende vertelde het museum niet, maar uit de ondertiteling van de informatiefilm viel op te maken dat in Tbilisi moslims, joden en christenen eeuwen vredig naast elkaar hadden gewoond, met respect voor elkaars rituelen. ‘Uiteindelijk geloven we allemaal in dezelfde God.’ Net als ooit in Bosnië.
Ik geloof niet in de God die straft en verdeelt, het religieus fanatisme dat uitsluit en bedreigt. Maar wat ik deze ochtend ervoer in de binnenstad van Tbilisi was de gedeelde hoop, dat blinde verlangen naar een troost die groter is dan de geschiedenis rechtvaardigt.

[1] Zie bijvoorbeeld de column van Paul Scheffer in NRC Handelsblad van 1 mei en de voetnoot van Grunberg in de Volkskrant van 4 mei.

 

blog-week 14

De nullijn

Week 14

April is the cruellest month, breeding
lilacs out of the dead land, mixing
memory and desire, stirring
dull roots with spring rain.

T.S. Eliot
The Waste Land

Dit weekend bezochten wij de ouderdag van de studentenvereniging waarvan onze oudste dochter lid is geworden. We zagen stralende jonge vrouwen die na een onzekere tijd van ontgroening en selectie voor jaarclubs en commissies elkaar herkend leken te hebben. Ze omhelsden elkaar veelvuldig. Ze dronken ook veel bier.
Eerder deze week, terugkomend uit Aruba, trof ik het overlijdensbericht van Alexander, een jonge man van 51 jaar met wie ik ruim dertig jaar geleden in het sociëteitsbestuur zat van de vereniging waarvan ik destijds lid was: SSR in Amsterdam, een van origine gereformeerde vereniging die op dat moment al decennia een “jongerenvereniging” was, zonder ontgroeningen en met veel maatschappelijk verantwoorde discussies. En veel bier.
De jaarclub van onze dochter heet “Lux”. Die naam hadden ze goed gekozen, dacht ik gisteren. Ze straalden, deze jonge vrouwen, als het lentelicht van de afgelopen week. Uitbundig, fel, verwarmend, zwanger van belofte.
Van mijn toenmalige bestuur zijn inmiddels al twee leden overleden; mijn vriend C. benam zichzelf in de nacht van 4 op 5 april 2004 het leven, Alexander stierf aan de gevolgen van een langdurige ziekte, tot het einde toe vol levensmoed. Hij laat een vrouw en twee kinderen achter.
‘Ik houd van de lente,’ zei mijn dochter laatst. ‘Omdat ze me blij maakt, maar ergens ook triest. Ik word er melancholisch van. Alsof alles wat begint in zichzelf weer eindig is.’

blog-week 13

De nullijn

Week 13

Op afstand van Nederland neem ik het binnenlandse nieuws dat via de iPad mij toch dagelijks bereikt op een andere manier waar. De huizenmarkt is oververhit. Het onderwijs holt achteruit. En terwijl eindelijk de zon doorbreekt, wordt er veel aandacht aan depressie onder jongeren besteed; zij lijden onder de hoge verwachtingen en de als noodzaak ervaren druk om te excelleren.
Het nieuws gaat over mij. Toen wij rond de millenniumwisseling op zoek gingen naar ons eerste koophuis, was de gekte net zo reëel als nu. Ik zie me nog halsoverkop naar Haarlem en Hilversum rijden als er een huis op de markt kwam; je mocht al in je handjes knijpen als je de eerste was die kon komen kijken. Ik hield er een grondige hekel aan makelaars aan over met hun geklets over authentieke details. Dankzij mijn man bleven we in Amsterdam.
Mijn kinderen zaten op een heel leuke basisschool, maar lezen en schrijven blijft ingewikkeld. De regel rond d’s en t’s lijkt nooit echt goed uitgelegd en het bezittelijke voornaamwoord mijn, of vooruit m’n, is in alle appjes die ik krijg al jaren me. “Me fiets is stuk.” Ik verwijt het de leerkrachten niet, maar jammer is het wel.
En dan de prestatiedruk; ik schreef er verschillende opiniestukken over in de Volkskrant. Ik heb er zelf in de jaren tachtig en negentig ook last van gehad. Door de toenmalige werkloosheid onder academici deed ik niet een, maar twee studies (dat kon toen nog), waarvan ik er een cum laude afrondde. Ik pimpte mijn cv op met bestuursfuncties en een stage aan de Université Paris IV Sorbonne wat nog steeds heel goed klinkt. Maar 167 sollicitatiebrieven later kroop de afwijzing toch onder mijn huid. Ik heb nooit meer een gelukkige verhouding tot werk gekregen. Als freelance journalist en schrijver heb ik prachtige ervaringen opgedaan, maar het geworstel met de financiële beloning ervan en de voortdurende druk dat je zo goed bent als je laatste stuk, heeft me niet altijd gelukkiger gemaakt. Als ik naar mijn eigen website kijk, verbaas ik me soms over de hoeveelheid tekst die erop staat. Wanneer had ik de tijd dat allemaal te schrijven? En hoe kan het dat ik ondanks die prestaties me toch zo vaak mislukt hebt gevoeld?
Gezeten op het eiland Aruba bij mijn zus die hier lerares Engels is, kan ik meer mededogen opbrengen voor degene die ik in Nederland vaak denk te moeten zijn. Niet omdat ik het van mijzelf verwacht te moeten excelleren, maar omdat we in een normatief land leven, dat prachtig is geordend, maar ook streng is voor zichzelf. Amsterdam is een heel mooie, maar ook onaardige stad die bovendien steeds gesegregeerder lijkt te raken. Je moet de juiste mensen kennen om bij de juiste clubs te horen, langs de kleuren van onze huid en onze bankrekening worden harde grenzen getrokken. Als ik volgende week weer over de grachten fiets en mensen op de terrassen zie zitten, hoop ik dat ik kan kijken met de ogen van Aruba: door het weer gedwongen soms rustiger aan te doen. Met minder spullen toekunnen, omdat je toch vaak buiten zit en het op pumps van Jimmy Choo zo lastig lopen is op het strand.
Hoewel een journalist natuurlijk geacht wordt bovenop het nieuws te zitten, verlang ik soms terug naar de tijd dat je in een verlaten Frans dorp alleen nog de krant van gisteren kon kopen (en dan ook nog de foute). Het tijdsverloop relativeerde de schreeuwende koppen. Misschien dat het daarom komt dat ik deze dagen met meer relativering de kranten heb gelezen, wat me gelukkiger maakte; op Aruba is het zes uur vroeger dan in Nederland. Alles wat daar gebeurt, is hier nog altijd mogelijk.

blog-week 12

De nullijn

Week 12

Hij zou er binnen een half uur zijn, beloofde de telefoniste van het slotenbedrijf ’s ochtends om half tien. Twaalf uur later was het slot inderdaad gemaakt. ‘Een drukke dag, mevrouw.’ De monteur verontschuldigde zich voor de vertraging. Hij was al vanaf 7 uur die ochtend aan het werk, ik was de laatste klant. Een hardwerkende Nederlander. Hij heette Mohamed.

Het was Goede Vrijdag. Mijn man en ik zaten op de bank voor de televisie een glas wijn te drinken. In plaats van Twee voor twaalf keken we naar de Mattheüs passion, semi-live uitgezonden vanuit de Grote Kerk in Naarden. We zagen de premier zitten, en nog veel andere mensen die we belangrijk plegen te noemen, succesvol, topdogs. De recht gerugde houten stoelen in de kerk oogden verre van comfortabel. Rutte luisterde intens naar de uitvoering van de Nederlandse Bachvereniging. Een vrouw die verderop in dezelfde rij zat, keek vooral naar Rutte.
De dag ervoor was The Passion uitgezonden, live vanuit de Bijlmer. Oud-journaal lezeres Noraly Beyer nam de rol van verteller op zich. Zelf woonde ze al 33 jaar in de Bijlmer, vertelde ze trots. Ruim 3,5 miljoen kijkers zagen hoe het glanzende kruis door de getergde buurt werd gedragen. Naar de barokke variant van het lijdensverhaal van Christus die in 1727 voor het eerst werd uitgevoerd, keken op Goede Vrijdag 313.000 mensen. Een daarvan was ik. Ik heb het koorwerk jaren zelf gezongen.
De monteur liep heen en weer door de woonkamer, op zoek naar gereedschap. Op de trap naar boven hield hij even stil. ‘Waar luistert u naar?’ vroeg hij belangstellend, kijkend door de spleet van de treden.
‘Dat is de Mattheüs passion van Johan Sebastiaan Bach,’ antwoordde ik.‘Nooit van gehoord,’ reageerde de monteur.  ‘Maar het is prachtig. Ik word er helemaal rustig van.’
Zelf had ik nog nooit van Tommy Christiaan gehoord, de zanger die in The passion de rol van Jezus zong. Ook niet van de andere zangers trouwens.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau bracht onlangs een rapport uit dat Gescheiden werelden heet. De gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart bevestigden het beeld dat het SCP in dit rapport schetst. Hoger- en lager opgeleiden, wit en zwart, gelovig en ongelovig, stad en platteland, we leven in steeds gescheidener werelden, met eigen helden en hoogwaardigheidsbekleders, en eigen angsten voor de anderen. We willen horen bij wie we herkennen, de vrouw op de eerste rij van de Grote Kerk in Naarden en de huilende bewoners van de Bijlmer. Tegelijk zetten we ons af tegen dat wat ons vreemd is. Wie donderdag naar The passion keek, luisterde vrijdag niet naar Bach.
Toch was het precies hetzelfde verhaal dat twee avonden achter elkaar op televisie werd vertolkt. Een verhaal over lijden, liefhebben, leven, iets wat we allemaal doen. Een verhaal over het verlangen groter te zijn dan de cirkel die we rond onszelf hebben getrokken.

Bij de deur gaf de monteur mij een hand. Zijn dag zat erop. ‘Het is vandaag een feestdag, maar die krijgt u van mij,’ zei hij terwijl hij de rekening opmaakte en het meerwerk voor de bijzondere dag wegstreepte. ‘Weet u welke dag het vandaag is?’ wilde ik vragen. Ik deed het niet.

blog-week 11

De nullijn

Week 11

Zijn. Op het moment dat je wordt geboren, moet je je ertoe verhouden. Er zijn. Iemand zijn. Een ander te midden van anderen.
Sommige mensen gaat dat goed af. Al op het schoolplein tekent zich die gave af. Kinderen die als vanzelfsprekend hun plaats in de groep opeisen, of juist eigenstandig hun eigen weg gaan zonder zich te veel van de anderen aan te trekken. Eigenstandig vind ik een mooi woord. Het is een vermogen op jezelf te staan. Alsof je jezelf eigen bent. Zelfstandig is wat anders. Dan kun je het alleen, het als in leren, werken, leven. Zelfstandig heeft anderen nodig, als tegenwicht. Eigenstandig heeft aan zichzelf genoeg.
Ik ken mensen die niet genoeg hebben aan zichzelf. Niet omdat ze meer willen zijn, maar omdat ze zich minder voelen dan wie ze zijn. Veel van deze mensen functioneren ogenschijnlijk zoals we dat hebben afgesproken. Ze zorgen voor hun man, vrouw, vrienden of vriendinnen, ze bekommeren zich over hun eigen of andermans kinderen, ze werken (vaak hard) en ontmoeten collega’s, ze organiseren feestjes, sporten, koken en heffen het glas. Maar ongeacht de warmte die ze uitstralen, het succes dat ze boeken of het talent dat ze tentoonspreiden, van binnen voelen ze zich niet goed genoeg. Alsof ze zichzelf permanent in de uitverkoop hebben gedaan, omdat ze minder waard(ig) zouden zijn. En hoe hard ze ook werken, dat holle gevoel verdwijnt zelden. De echo van dat gevoel is het verlangen niet te zijn.
Niet zijn is iets anders dan de dood. Wie wil verdwijnen, is niet per definitie suïcidaal. Het is eerder een gebrek aan houvast, alsof de wortels ontbreken die de boom voeden en staande houden. En hoe hard de therapeut ook roept dat iedereen er mag zijn, hoe luid het applaus ook klinkt, je groeit er geen wortels mee die stevigheid geven. Bij mensen die hun eigen waardigheid zo moeilijk weten te bevechten, groeien de wortels eerder uit hun hoofd. Hun vaak dwingende gedachten grijpen als tentakels naar de lucht. Maar de wolken zijn ongrijpbaar. Zij wortelen nooit.
In het Boeddhisme, dat ik in het kader van mijn nieuwe studie momenteer bestudeer, geldt het niet zijn als het hoogst haalbare. Verlost van het eeuwigdurend lijden en de voortdurende incarnatie van de levensdorst. Dat is de paradox van ons bestaan: gezien willen worden en tegelijk niet zijn. Onzichtbaar worden geheeld. Een diep verlangen om, gespeend van houvast, vastgehouden te worden.

blog-week 10

De nullijn

Week 10

Door de ophef over de voorgenomen en inmiddels weer ingetrokken salarisverhoging van de topman van ING, Hamers, dacht ik terug aan een interview dat ik in 2001 had met de oud-topman van Shell, Cor Herkströter. Herkströter was de eerste CEO wiens salaris werd gepubliceerd; in 1997 verdiende hij 3,3 miljoen gulden. Dat vonden mensen destijds ook best veel.
Het interview was onderdeel van een serie voor dagblad Trouw en heette “de Mammon”. Ik sprak met mensen die heel veel geld hadden, zoals landgoedeigenaar Dolf van der Weij, en met mensen die heel weinig verdienden, zoals de dichteres Hagar Peeters. Mammon, geld, heeft dezelfde stam als het woord amen. Beiden voeren terug op het woord vertrouwen.
Zeventien jaar na het verschijnen van deze serie – de financiële crisis van 2008 moest toen nog komen – lijkt de discussie over de beloning van al dan niet met het prefix “top” getypeerde bestuurders onveranderd. In 2001 merkte Herkströter bijvoorbeeld op: ‘Wil je mensen gemotiveerd houden, dan moeten ze zich wel enigermate kunnen vergelijken met hun buitenlandse collega’s – met een nadruk op enigermate. Want je wordt bij wijze van spreken, als je daar gevoelig voor bent, wel uitgelachen, hoor. Je bent wel een enorme sukkel als je met zo’n inkomen genoegen neemt.’ President-commissaris Jeroen van der Veer, ook oud-Shell, had het zomaar gezegd kunnen hebben.
Zelf ben ik dichteres. Dichters kunnen niet leven van hun woorden. Toch prijken hun zinnen boven rouwadvertenties en citeren mensen hun verzen bij huwelijksfeesten of geboortes. Poëzie heeft een niet in geld uit te drukken waarde. Dat blijkt ook telkens als ik mensen uit het zakenleven ontmoet die erachter komen dat ik romans en gedichten schrijf. Dat vinden ze mooi. Er hangt iets van eeuwigheid omheen, iets onstoffelijks waarnaar veel mensen blijkbaar verlangen. Maar ja, het tweede huis in Toscane betaal je er niet van. Dichten is vooral goed voor de dood.
Al sinds ik de serie voor Trouw schreef, vraag ik mij af hoe mannen als Van der Veer en Hamers ’s ochtends opstaan. Hoe zij in de spiegel kijken. Hoe zij elkaar ontmoetten, in vergaderzalen en op golfcourts, en hoe zij elkaar vervolgens geruststellen, dat ze echt geen sukkels zijn, dat het volk het niet begrijpt, dat zij global denken en geen provincialen zijn. Ongetwijfeld zullen zij ervan overtuigd zijn dat ze het persoonlijk waard zijn, die miljoenen. Anders zouden ze toch aan hun eigen schaamte ten onder gaan.
Herkströter zei in 2001: ‘Een inkomen moet afgezet worden tegen de verantwoordelijkheid die iemand draagt.’ In dat licht lijkt het me gepast dat Shell en ING vanaf vandaag gezamenlijk een potje reserveren om het inkomen van basisschool-leraren aan te vullen. In Noord-Holland staken zij vandaag, omdat ze heel veel verantwoordelijkheid dragen voor heel weinig geld. Gemiddeld ligt het inkomen van een ervaren leraar op de basisschool rond de 45.000 euro. Daarvan kunnen zij geen tweede huis in Toscane kopen, maar helaas ook geen eerste huis in een stad als Amsterdam.
Geld, zo ontdekte Herkströter, is een allesbepalende factor voor ondernemers. Maar er zijn waarden die je ook een rol moet laten spelen, zei hij tegen mij. Voor mensen als Van der Veer lijkt dat vooral eigenwaarde te zijn. Voor mij is dat de waarde van het woord. En er is maar een vrouw die mij die waarde leerde: mijn juf Wiggers van de lagere school.

blog-week 9

De nullijn

Week 9

Hij is opgenomen, de autistische man die bijna een maand geleden werd geschorst uit zijn beschermde woonvorm en op straat terechtkwam. De gemeentelijke organisatie die verantwoordelijk is voor beschermd wonen nam contact op met een behandelaar van de GGz en via moeder wist ik waar de man te vinden was. De behandelaar ging met toestemming van moeder naar haar huis en nam de man op vrijwillige basis mee naar een kliniek met plek voor crisisopnames. Daar bleef hij slapen.
De volgende dag wilde hij weg. Maar omdat hij inmiddels behoorlijk zware kenmerken van een psychose vertoonde, belde de psychiater naar moeder. Of ze het een goed idee vond dat hij gedwongen zou worden opgenomen. Zodat hij niet weer op straat terecht kwam. Dat vond zij een goed idee.
Op grond van de huidige wetgeving – de BOPZ – heeft moeder niets over haar zoon te zeggen. Ik vrees dan ook de advocaat die de man, overigens terecht, ter zijde zal staan. Er zijn namelijk advocaten die vinden dat psychiatrische patiënten het volste recht hebben om op straat te zwerven als ze dat willen. Die vinden dat niemand tegen zijn zin mag worden opgenomen, laat staan gedwongen behandeld. Van het woord bestwil gaan zij gruwen. Bestwil ruikt naar beter weten en dat is iets van heel lang geleden, toen we het nog over krankzinnigen hadden en iedereen zomaar kon worden platgespoten.
Wie weet het beter dan deze moeder? Zij heeft haar zoon de laatste tien jaar achteruit zien gaan. Zij heeft ervoor gezorgd dat hij na jaren getob en getouwtrek werd gediagnosticeerd en een beschermde plaats kreeg om te wonen. Zij was het ook die merkte dat hij stemmen ging horen. Hij gelooft niet dat zij zijn moeder is, omdat ze een oudere vrouw is. Zijn moeder is jong, zegt hij. Hij gelooft ook niet dat zijn vader dood is. Hij leeft alsof hij dertig jaar terug is in de tijd. Moeder drong er om die reden al jaren bij de begeleiders op aan meer zorg te bieden aan haar zoon. Maar daar ging zij niet over, zeiden zij.
In de nieuwe wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg die de Eerste Kamer inmiddels heeft aangenomen, krijgt de familie een duidelijker positie bij de behandeling van psychiatrische patiënten. De psychiater die zaterdag moeder belde om haar advies te vragen, liep op deze wet vooruit. Waar veertig jaar geleden moeders van psychotische kinderen nog werd verweten dat hun kinderen ziek waren geworden door hun kille opvoeding – deze moeders werden ijskastmoeders genoemd – dringt nu weer langzaam het besef door dat we het zonder familie niet redden. We zijn geen los zwevende individuen die het allemaal zelf kunnen uitvogelen in deze maatschappij en op eigen kracht het leven vorm kunnen geven. Velen van ons zijn overgeleverd aan de zorg en oprechte bemoeienis van vaders, moeders, broers, zussen, oppassen, buurvrouwen, vrienden en vriendinnen. Zelf liep ik afgelopen zondag nog met mijn broer langs het smeltende ijs op de grachten. Mijn zus heeft mij de afgelopen maanden intensief bijgestaan in mijn persoonlijke geworstel. Vandaag zou mijn schoonmoeder 85 jaar oud zijn geworden en over vijf dagen is het de geboortedag van mijn moeder die al zeventien jaar dood is. Ik mis hen.

blog-week 8

De nullijn

Week 8

Trier is een van de oudste steden van Europa. Trekpleisters zijn onder andere de Porta Negra, een stadspoort van 2000 jaar oud en de Dom waar een prachtig gerestaureerd orgel hangt. Trier is ook de geboortestad van Karl Marx, schrijver van onder andere Het Kapitaal dat als een van de oerboeken van het communisme wordt beschouwd.
In de tijd van Marx gold Trier als een kosmopolitische stad, omdat ze lange tijd tot het Franse Keizerrijk had behoord en kon bogen op een oude geschiedenis van Romeinen en bisschoppen. Maar aan het begin van de negentiende eeuw viel de wijnoogst van het Moezelgebied tegen en woei er een gure economische wind. Het schijnt dat een kwart van de bevolking destijds van de armensteun leefde wat het sluimerende socialistische vuur alleen maar aanwakkerde.
Ook afgelopen zondag was het guur in Trier. Het vroor, de wind snerpte tussen de blokkendozen nieuwbouwpanden achter het oude stadscentrum. Op de hoek van een plein hing een bord waarop stond dat hier vroeger de oude synagoge had gestaan die tijdens de pogromnacht in november 1938 door de nationaalsocialisten met de grond gelijk was gemaakt. Op straat was het uitgestorven. Een enkele toerist maakte een selfie voor de zwartgeblakerde Romeinse muur, een oude non vond haar weg naar de Onze Lieve Vrouwenkerk. De winkels waren gesloten, evenals het Karl Marx museum. Er waren slechts twee winkels open: de erotische seksshop tegenover de parkeergarage en een in sportvisserij en jacht gespecialiseerde wapenhandelaar die de naam Waffen Wagner droeg. Ik moest aan de Ring des Nibelungen denken, de operacyclus van Richard Wagner waarin het wemelt van onderkruipsels, valse liefde en machtswellust.
Dat is wat de grote politieke idealen van de twintigste eeuw ons hebben nagelaten op een koude zondagochtend in een van de oudste steden van Europa. Seks en wapens.

blog-Week 7

De nullijn

Week 7

Ze heeft verzwegen dat ze hem eten brengt, al jarenlang, elke maandagavond. Niemand hoeft te weten dat haar oudste zoon nog steeds van haar afhankelijk is, al woont hij sinds een aantal jaar in een beschermde woonvorm voor mensen die last hebben van autisme. Het liefst was ze tot haar dood voor hem blijven zorgen, maar hij keerde zich van haar af. Hij was volwassen, zei hij, hij zorgde liever voor zichzelf.
Uiteindelijk moest ze hem laten gaan. Ze zocht en vond een organisatie waar volwassen mannen met zijn problematiek konden wonen. Een kamer, een gedeelde keuken, enige zorg in de vorm van een woonbegeleider die nooit lang in dienst bleef. Het verloop van personeel in de geestelijke gezondheidszorg is al jarenlang schrikbarend groot. Het gebrek aan psychiaters in instellingen is nijpend. Het aantal suïcides stijgt. Het aantal bedden in instellingen is sinds 2014 met een derde afgebouwd. We zijn allemaal volwassen, we zorgen allemaal voor onszelf.
Als meisje van zeven ging ik met mijn vader regelmatig naar het psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkte. Hij was directeur-geneesheer van Franciscushof in Raalte dat in 2009 werd afgebroken. Ik schreef er het boek Raarhoek over. Sindsdien houd ik de ontwikkelingen in de GGZ in de gaten. De beddenreductie van minister Schippers. De waarschuwende geluiden van instellingspsychiaters. De afschuw van de administratieve rompslomp die toepasselijk genoeg ROM heet; routine outcome monitoring om te kijken of het allemaal een beetje helpt, die behandeling.
Voor haar zoon helpt voorlopig niets. Na een incident met de zoveelste woonbegeleider is hij op straat gezet. Ze hoorde het maandagavond, toen ze zijn eten kwam brengen. Hij zwierf toen al vijf dagen op straat. De directeur van de instelling vertelt haar niets. Hij is volwassen, zegt hij, hij zorgt liever voor zichzelf. Zij fietst sindsdien de hele stad door om te kijken waar hij is. Een verwarde man. Haar zoon.

blog-Week 6

De nullijn

Week 6

Dus er is gelogen. Daar begint het mee. Daarna is er de schaamte.
Schaamte schuurt. Schaamte holt van binnen uit. Het is de vijand die in je hoofd huist, die je gedachten belaagt, ’s nachts vooral, als de angst voor ontmaskering bezit neemt van de ziel. Wie op kan staan, drukt het weg, dat ondermijnende gevoel een leugenaar te zijn. Liegen is het overlevingsinstinct tegen de zelfhaat. Wie maar lang genoeg herhaalt dat het niet is gebeurd, dat het niet waar is, dat het allemaal anders was, dat het niet erg is of dat de leugen een hoger doel diende, drukt de pijn van de schaamte weg. Minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra weet hoe dat voelt.

Het is wel gebeurd. Het is wel waar. Het was niet anders. Het is wel erg. De leugen dient nooit een hoger doel.

Liegen is liegen. We doen het allemaal. Als iedereen elkaar de hele dag de waarheid zou vertellen, zouden we leven in een hel van kakofonische verwijten. Soms, als ik de kranten tot mij neem of die enkele keer toch Twitter raadpleeg, denk ik dat we al in die hel zijn beland. Ik, die zo op zoek was naar de waarheid, verlang steeds vaker naar de leugen. Ik begrijp steeds beter de mensen wier levens ik beschrijf en die zich in hun verhalen overgeven aan de diepe drang anders te hebben geleefd, zonder die depressies, zonder dat overspel, zonder dat faillissement, zonder die familieconflicten, zonder de dood ook vooral. De mensen wier levens ik beschrijf, willen hun leven liever liegen dan ervaren dat ze hebben geleefd.

Maar soms is er het verlangen van de schaamte te worden verlost. Te worden tentoongesteld als de leugenaar, de overspelige, degene die je nooit hoopte te worden, maar altijd al dacht te zijn. Niemand. Niks.

De angst te worden ontmaskerd kan zo groot worden dat ze tot verlangen groeit. Dat is de reden dat de biecht ooit is bedacht. En de literatuur.

blog-Week 5

De nullijn

Week 5

Dublin is een stad van dichters. James Joyce, de schrijver van het even briljante als onbegrijpelijk Ulysses, wordt er op elke straathoek geëerd, het portret van Oscar Wilde, de schrijvende dandy van onder andere The picture of Dorian Gray, ligt te koop in elke souvenirshop. De toneelschrijver en socialist George Bernard Shaw werd er geboren, een van de bruggen over de rivier de Liffey heet de Samuel Beckett brug, en in de ‘bookstore’ van het ‘Dublin writersmuseum’ kan je voor 5,99 euro de verzamelde gedichten van William Butler Yeats kopen. Wat ik deed.
De stem op de audiotour die ik voor de gelegenheid beluisterde, vertelde over Yeats’ grote liefde, Maud Gonne, wie hij meer dan dertig jaar begeerde en wie hij zeker vier keer ten huwelijk vroeg. Vergeefs. Gonne wees hem telkens af, maar troostte hem met de woorden dat zijn verlangen naar haar zijn poëzie alleen maar voedde. Geen liefde zo wreed of zij hongert naar woorden. Wie alleen maar gelukkig is, schrijft zelden een gedicht.
Is dat de reden dat de literatuur het aflegt tegen de series van Netflix en de miljoenen berichten op sociale media? Heeft de dwingende geluksindustrie die de millenials tot uitputting drijft het licht van het onvervulde gedoofd, het verlangen ingeruild voor de opdracht elk gedroomd doel te moeten bereiken? ‘Het is bijna een plicht om gelukkig te zijn,’ zei de Nederlandse dichter Menno Wigman in 2014 in een interview in Vrij Nederland. ‘Dat is dodelijk voor de mensen die het niet zijn.’

Wigman stierf, 51 jaar oud, op donderdag 1 februari 2018. Terwijl ik door Dublin zwierf, liep mijn tijdlijn vol met zijn poëzie. Slordig met geluk heet zijn laatste bundel die nog werd genomineerd voor de Ida Gerhardtprijs. Ik ben even oud als Wigman en lang niet zo getalenteerd als dichter. Ik heb minder gedronken dan hij en veel meer was gevouwen. Maar zijn gedichten herlezend, realiseerde ik me dat ook ik het vaak ben geweest, slordig met geluk. Op zoek naar meer erkenning, betekenis, succes, het volgende, de ander, het elders. One can survive everything, nowadays, except death, and live down everything except a good reputation, citeerde de stem op de audiotour een van Wilde’s bekendste quotes. Ik dacht aan Menno Wigman en zijn veel te vroege dood en ik keek naar de man met wie ik door het leven loop en ik hoorde Molly Bloom fluisteren (…) and first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume yes and his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes.

               

blog – Week 4

De nullijn

Week 4 

               Traditie is niet het aanbidden van as, maar het doorgeven van vuur

In haar woonkamer tikt de tijd. Aan de muur hangen wel zes massieve Friese klokken. In de glazen vitrine staan tientallen wekkers, uurwerken en pendules. Als kind was ze al gefascineerd door de tijd, zegt ze. Ze kon ademloos naar de wijzers van de staartklok kijken die in haar ouderlijk huis hing. Nee, zegt ze, die klok hangt hier niet. Die heeft haar zuster meegenomen. In haar stem echoot weemoed.
Dit jaar wordt ze tachtig. Zij kan het dus weten, dat het vroeger echt beter was. Toen er nog geen zes Macedoniërs boven haar hoofd woonden. Toen er nog een slager, een smid en twee bakkers in het dorp zaten. Toen de huizen nog bestonden uit een beneden- en een bovenwoning en je die gewoon kon huren. Nu staan ze voor negen ton te koop. Aan de overkant van het water wordt een heel nieuwe villawijk gebouwd. Hoe ze dat vindt, vraag ik. ‘Heel erg,’ zegt zij.
Hoewel geen geboren Amsterdamse – ze komt uit Uithoorn – bracht ze een halve eeuw door in de Wetbuurt, waar ik nu tien jaar woon. In mijn huis kreeg ze twee kinderen met een man die haar eerst bedroog en daarna verliet. Daarna verhuisde ze naar het huis van de buren. Ze hertrouwde, maar haar tweede man overleed te snel, te vroeg, te jong. De tijd haalde haar in, ook toen al.
Gisteravond, nadat ik bij mijn buurvrouw koffie had gedronken, bezocht ik met mijn oudste dochter een bijeenkomst in de stadsschouwburg van Amsterdam. Het debat ging over identiteit en nationalisme en heette geheel in stijl met de dominante verengelsing van het openbare leven the sign of the times. Femke Halsema, oud-voorvrouw van Groenlinks, ging in gesprek met Thierry Baudet, voorman van Forum voor Democratie. Tussendoor droegen acteurs van Toneelgroep Amsterdam teksten voor van grote denkers en schrijvers uit vroegere tijden. Shakespeare, Schiller.

De zaal zat vol. De zaal was jong. De zaal was wit.
In mijn hoofd hoorde ik de klokken van mijn buurvrouw slaan.

blog – Week 3

De nullijn

Week 3 

Oud nieuws. Steeds minder jongeren lezen. Slechts veertig procent van alle tieners leest tien minuten aaneengesloten per week. PER WEEK.
Ik probeer de tijd in taal te vangen. Hoeveel woorden kan ik in tien minuten stoppen? Hoeveel voetnoten van Arnon Grunberg zijn dat? Een sprookje van Godfried Bomans zoals De vijvervrouw, dat ik vroeger aan mijn dochters voorlas, hoe lang duurde dat eigenlijk? Of De zoon van de woordbouwer van de inmiddels vergeten schrijver Frank Herzen, met van die heel kleine letters en zinnen die soms wel vier regels lang waren?
Nijntje, dat ging snel. Misschien dat het iconische knaagdier van tekenaar Dick Bruna daarom kans maakt het pronkstuk van Nederland te worden. Eenvoud en snelheid zijn kenmerkend voor onze huidige identiteit waar we allemaal zo naarstig naar op zoek zijn. Bruna was ook in dat opzicht een visionair.

Net als mijn geboorteland zoek ik opnieuw mijn identiteit. Het is de reden dat ik de nullijn schrijf. Als toetssteen van de tijd. Ik wilde als kind al schrijver worden. Ik schreef mijn eerste dagboek toen ik 11 was en adresseerde mijn brieven aan Anne Frank die immers ook schrijfster wilde worden. Zij, en dat ene zinnetje dat mij als puber naar de journalistiek dreef, stuurden mijn ambities. Wir haben es nicht gewußt. Ik wilde schrijven, opdat nooit meer iemand kon zeggen dat hij het niet wist. Hij had het geweten kunnen hebben, daar ging het om.
Inmiddels is het gebruikelijk dat nieuwssites boven een artikel zetten hoe lang het duurt om het te lezen. 9 minuten, dat lukt nog net. Meer dan 10 minuten is te lang geworden. Bewegende beelden vervangen het geschreven woord. Een filmpje van enkele minuten zegt meer dan een verhaal van 2400 woorden. Dat niet erg, hoor ik mijzelf fluisteren. Het geschreven woord heeft niet het alleenrecht op de waarheid.

Morgen spreekt Maarten Asscher in de Aula Lutherse Kerk. Hij neemt afscheid als directeur van Atheneum Boekhandel. De boekhandel op het Spui waar eens de provo’s dansten om het Lieverdje. Het woord is dood, lang leve het woord, is de titel van zijn afscheidssymposium. Ik zal erbij zijn. Lang leve Nijntje.

blog – Week 2

De nullijn

Week 2 

In een rotsvast vertrouwen dat ze Jezus zal ontmoeten, wacht tante op de dood. 95 is ze. Ze leest Geert Mak en Jan Siebelink, kijkt graag naar De slimste mens, noemt Donald Trump ‘een varken’ en heeft het over ‘roomsen’ als het om de buren gaat. Vijftig was ze toen haar man stierf, met wie ze een dochter heeft. Die ziet ze nooit meer. De dochter heeft na een lange reeks psychiatrische opnamen het contact met haar moeder verbroken. Het is zo lang geleden dat zelfs de herinnering niet meer wringt. Tante citeert uit het evangelie van Johannes, de parabel van Jezus en de overspelige vrouw. ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

God sterft uit. Met elke tante die hij opneemt in Zijn heerlijkheid verdwijnt Hij verder achter de horizon die mijn familiegeschiedenis tekent. In minder dan drie generaties is de Heere der heerscharen failliet verklaard zonder dat de mogelijkheden van een doorstart zijn onderzocht. De vanzelfsprekendheid waarmee mijn ouders in hun liefdesbrieven nog over Zijn genade schreven – ze hoopten op een groot gezin – is in een halve eeuw verpulverd tot het stof dat altijd al een dreigend toekomstperspectief was voor gelovigen. Denn alles fleisch es ist wie gras.
Met de kracht van het nu heeft het hiernamaals aan aantrekkingskracht ingeboet. Maar naarmate ik zelf ouder word, verschijnen op mijn tijdlijn steeds meer herinneringen aan de schepping. Weilanden gehuld in mist, regenbogen boven de Amstel, wolkenluchten zoals alleen Hollandse schilders die weten te vangen. De techniek van de troost mag dan onherkenbaar veranderd zijn de afgelopen vijftig jaar, het verlangen ernaar blijkt onveranderlijk.

Tastend naar verzoening met de breuklijn in mijn eigen leven, zal ik tante gedenken, mocht de Heer zo genadig zijn haar dit jaar nog naar huis te halen. Want van haar komt de kracht en de eerlijkheid, tot in eeuwigheid.

 

blog – Week 1

De nullijn

Week 1 

Al het begin is een herhaling. Ik ben als eerste wakker. De koffie smaakt als gisteren. Facebook herinnert mij aan de tijd. Vier jaar geleden postte ik dit bericht naar aanleiding van de verschijning van mijn eerste roman.

Lieve vrienden, dank voor al jullie lieve berichten op mijn verjaardag. Ik heb dertien dagen mijn computer niet geopend, 30 afleveringen Downton Abbey gekeken (een aanrader), met onze dochters op het graf van mijn zusje Anneke gestaan waarop de woorden Gloria in excelsis Deo staan, en mij dankbaar gerealiseerd dat ‘schrijven een uitstekend middel is tegen de gevolgen van het vergeten’ zoals (geparafraseerd) Alain de Botton en John Armstrong schrijven in hun prachtige boek Kunst als therapie. En dat is het: muziek, beelden en – voor mij – schrijven zijn een manier om structuur te geven aan het onbenoembare, de ‘dingen’ die we vroeger God noemden, of kunst, of liefde. De dingen dus. Heb een rijk en oprecht 2014.

Ik was 47 geworden. Nu ben ik 51.

Ik ruim, als altijd op 1 januari, de kerstboom op. Alsof de geur van stervend hars de opmaat tot het nieuwe jaar belemmert. Ik verschuif de piano die al jaren onder de trap staat en daardoor gewond is geraakt. Het gruis van de schoenen van de kinderen heeft zich in de flanken van het hout gekerfd. Kinderen die zich naar boven spoeden, naar eigen kamers en eigen beloftes, their rooms of their own.
Ik verwacht dat ik over de helft van mijn leven ben. Ik heb ruim 25 jaar gewerkt als journalist en schrijver, het beste middel tegen het vergeten. In die kwart eeuw is het woord beeld geworden; Instagram is het archief van de moderne tijd. Ik post een foto van een babysokje. Ik krijg vier likes.
Ik sta op de nullijn van mijn leven. Alles kan opnieuw beginnen, zoals het begon toen ik 25 was. Het grote verschil zijn de drie vrouwen die ik mijn dochters noem en die ik langzaam laat vieren, als de schoot van het schip.
Het schip werd schoot wordt schip.

 

blog- Op kamers

Zondag 17 september 2017

Op kamers

Tien jaar geleden kwamen we er wonen, in het huis met de kamers. Ze waren 9, 7 en 3, de dochters, en ze mochten zelf een nieuw bed uitzoeken. Op de bovenste etage legde ik kabels aan om televisie te kunnen kijken (wat kritische vrienden onverantwoord vonden). We kochten stapels cd’s met kinderliedjes, dvd’s met films over prinsessen, monsters en tovenaarsleerlingen. Voor de familiecomputer die in de woonkamer stond, kocht ik educatief verantwoorde cd-roms met spelletjes, over Rembrandt in het Rijksmuseum en de van origine Zweedse, maar bij ons Vlaams sprekende Alfons Åberg. In de kasten prijkten de boeken die mijn moeder mij voorlas, Beertje Ligthart van Jaap ter Haar en De zoon van de woordbouwer van Frank Herzen. Ik op mijn beurt las mijn dochters voor, avonden lang. Zij herinneren zich nog de verhalen, een enkele zin kunnen zij citeren.
Zelf lezen ze niet meer. Ze draaien geen cd’s en kijken geen dvd’s. De cd-roms lagen al jaren te verstoffen. Notebooks en smartphones, Spotify, Netflix, instagram en snapchat hebben mijn huishouden en dat van miljoenen mensen met mij in nog geen tien jaar fundamenteel veranderd. Mijn dochters zullen niet meer de boeken erven die ik van mijn moeder kreeg. De stapels fotoboeken die mijn vader zestig jaar lang zorgvuldig samenstelde, zullen uiteindelijk misschien gedigitaliseerd worden, maar waarschijnlijk door een kleinkind worden weggegooid. De kilometers papier waartussen ik mij veilig waande, verpulveren tussen mijn vingers.

Er zijn mensen die zeggen altijd naar voren te leven. Die de toekomst omarmen als de verloren gewaande zoon die ze nooit hebben gehad en hun teleurstellingen en angsten, gevoed door een onherstelbaar verleden, het liefst teniet doen met steeds weer nieuwe ervaringen en andere gezichten. Nostalgici, zij die zich juist troosten aan de dingen en de mensen van weleer, verhuizen zelden. Daartussenin leven de mensen van het heden, zij die wel mee moeten buigen met de tijd, omdat hun kinderen of hun baas dat eisen en die alleen al om die reden eens in de zoveel jaar grondig moeten opruimen.
Ik behoor tot het heden. Hoewel ik zelf schrijfster ben, wil ik mij niet beklagen over het verlies van de kracht van het boek. Games of thrones is voor mijn dochters net zo verslavend als Kruistocht in de spijkerbroek dat voor mij was (ik las het zeven keer). Het woord is beeld geworden, maar drieduizend jaar geleden gebeurde precies het tegenovergestelde en dat relativeert enorm. Bovendien bewijst een verkoopsucces als de Napolitaanse romans van Elena Ferrante dat de behoefte aan de verhalen over anderen en de tijd waarin zij leven wereldwijd nog steeds groot is.
De mens, naar voren levend, naar achteren kijkend of ploeterend in het nu, heeft verhalen nodig om zichzelf vorm te geven. De manier waarop mijn kinderen dat tegenwoordig doen, op hun telefoons, in universums waarin je foto’s van jezelf kunt manipuleren van hond tot Doutzen Kroes, is in essentie niet anders dan de manier waarop ik vroeger brieven schreef of tickets in dagboeken plakte. Wat is veranderd, is het zichtbare geheugen dat al dat papier, die boeken, die films en cd’s achterlieten in onze huizen.
Nu alles op een stick past, niet groter dan een duim, verdwijnt de mogelijkheid om, al opruimend, de herinnering haar werk te laten doen en daarmee betekenis aan het verleden te geven. Ik kon nog een laatste keer melancholisch meezingen met de muziek op de cd’s die ik opborg, ik kon de boeken ruiken die mijn moeder mij gaf en die ik zelf kocht, de verhalen herkauwen die ik in het geheugen van mijn dochters plantte. Door de rituelen te herhalen die generaties voor mij ook al voltrokken – het opruimen van de kamer van het kind dat vertrekt en daarmee ruimte gevend aan een nieuw evenwicht voor de kinderen die blijven – besefte ik eens te meer dat dit een deel mijn leven is geweest, de kindertijd van mijn dochters. Ik heb die tijd voor even weer kunnen vastpakken, waardoor ik mijn persoonlijke verhaal en dat van mijn kinderen in de geschiedenis heb kunnen plaatsen.
Als ik sterf, zullen mijn dochters hetzelfde moeten doen, want ondanks de drie kisten boeken en de tassen vol speelgoed en films die ik naar de kringloop bracht, staan de muren in dit huis nog altijd vol met boeken. Maar hun kinderen, mochten zij die krijgen, zullen andere rituelen moeten vinden om hun ouders in de tijd te plaatsen. De kans dat het usb-stickje van nu in het apparaat van de toekomst past, is klein. The cloud is weliswaar schier eindeloos, maar ook eindeloos onzichtbaar voor wie eens grondig wil opruimen. Zelf maak ik nog steeds fotoboeken die ik ook laat afdrukken. Wij kijken er samen nog regelmatig naar en halen zo de tijd weer in. Wie kijkt er nog samen naar de duizenden selfies die voor altijd op instagram staan?

Ik weet nog hoe het rook, in de keuken van mijn grootvader. Hij was banketbakker en maakte tot op hoge leeftijd zelf zijn eigen gebak, roomsoezen, banketstaaf en cake. Ons huis rook naar papier, naar boekenkasten vol stofnesten waar zilvervisjes tussen de bladzijden schuilden. Hoe zal het ruiken in de huizen van mijn dochters, waar het licht altijd flikkert en de schermen nooit op zwart springen? Hoe zullen zij hun eigen verleden en dat van ons behouden om te komen tot de verhalen die ons maken tot de mensen die wij waren en die zullen worden?
Ik durf het mijn dochters niet te vragen. Ik lap hun ramen, verschoon hun bedden en druk hun op het hart dat ze dat straks allemaal zelf moeten doen als ze op kamers gaan. Dan kijk ik naar de wanden die de jongste opnieuw heeft behangen met plaatjes die ze zelf heeft uitgeprint. Portretten van haarzelf, vrienden en vriendinnen, foto’s van haar zusjes, van ons, haar ouders, en van haar grootouders. Op het prikbord van de middelste dochter hangt de uitvaartliturgie van mijn vader en die van mijn schoonmoeder.
Over tien jaar zal ik die wanden weer opnieuw schilderen. Maar niet eerder.

blog – Voltooid leven

Maandag 22 mei 2017

Voltooid leven

Als ze vertelt dat ze in 1932 is geboren en Mirjam Kooperberg heet, hoeft ze niets meer uit te leggen. De geschiedenis van namen en data is groter dan zijzelf. Drie meisjes telde het gezin Kooperberg en ze overleefden allemaal de oorlog, in een kamp op Sumatra. Joodse overlevenden van een koloniale bezetting.

Haar eerste vriend heette Leon Lipschwitz. Ze leerde hem kennen via de joodse jeugdfederatie in Amsterdam. Ze maakten samen plannen, over kinderen en hoe zij de vloek zouden verbreken. Als ze een meisje zouden krijgen, wilden zij haar Mare noemen, het bittere kruid. Een zoon zou de naam Asaël krijgen, hij die God heeft gemaakt. Toen werd ze verliefd op Rien Karels, een arbeiderszoon uit Amsterdam-West. Niemand vond dat een goed idee.

Ze trouwden en kregen twee kinderen. Hun zoon noemden ze Piet, naar zijn oudste broer. Hun dochter heette Janna. Zo heette zijn moeder.
‘Janna komt van Johannes,’ zei ze tegen haar eigen moeder. ‘Yochanan, de door God begenadigde.’
‘Met Johannes heb ik niets te maken,’ antwoordde haar moeder.

Het huwelijk hield geen stand. Ze bleven goede vrienden. Zij voedde de kinderen op. Hij kwam elke donderdagavond eten.

Nadat hun dochter Janna zich in 1982 had opgehangen in het trapgat van haar huis, 24 jaar oud, hield Mirjam een dagboek bij. ‘In het radarwerk van haar geest moet iets beschadigd zijn,’ schreef ze. ‘Mijn moeder stierf toen ze 80 was. Oud en verzadigd van dagen, zoals in de Thora staat. Waarom mag een oude vrouw levensmoe zijn en een jonge vrouw als Janna niet? Waarom heb ik zo’n moeite dat te accepteren?’

 

 

 

blog – Maak er wat van

Dinsdag 2 mei 2017

Maak er wat van

Nadat haar beide borsten waren afgezet, leefde ze nog drie maanden. Het ging sneller dan verwacht. Ze stierf te midden van haar gezin, een man en vier kinderen. 56 jaar, dat is te jong, zegt iedereen. Te midden van een gezin, dat is genade, iedereen zegt het.
Makkelijk was het niet geweest. Op haar website beschreef ze openhartig hoe haar huwelijk tot twee keer toe in woelig water was terechtgekomen. Een keer, omdat ze hun huis ingrijpend hadden laten verbouwen. Een verbouwing is een van de grootste stressmomenten in een huwelijk, leerde ze.
Een paar jaar later ging het bijna mis, omdat de puberende kinderen een wig tussen hen dreigden te drijven. Hun jongste zoon was opgepakt door de politie. Haar man was woedend geweest, zij was ertussen gesprongen.
Door haar persoonlijke ervaringen te delen, hoopte ze nieuwe klanten te werven. Na een carrière in de zorg, was ze toe aan een nieuwe uitdaging. Ze werd coach. Ze wilde mensen helpen de lichtheid in het dagelijks leven terug te vinden.
“Mensen zeggen vaak dat je wat van het leven moet maken”, schreef ze op haar site. “Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Persoonlijke problemen hebben we allemaal, in elke levensfase. Daarvoor hoeven we ons niet te schamen, daarover moeten we praten. Dat gaat soms makkelijker met een vreemde dan met je eigen partner.”
Haar man had een tijdje een minnares gehad, een collega, blond. Dat was de derde crisis geweest. Dat schreef ze maar niet op.

Hij bleef bij haar tot het einde. Hij betastte haar geschonden huid ter hoogte van haar hart, daar waar zij hun kinderen had gezoogd. Hij stond naast haar bed toen haar adem stokte.

Haar website is nog altijd in de lucht.

blog – Verzet

Vrijdag 9 januari 2015

Verzet

Ze zei het half lachend, half beschaamd, mijn oudste dochter. ‘Mam, in vrijwel elke dictatuur zou jij als een van de eersten worden vervolgd. Je bent journalist, dichteres, vrouw en roodharig. Dat is vragen om moeilijkheden.’

Dat was voor de aanslag in Parijs op de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo.

Nu is mijn jongste dochter bang dat ik word neergeschoten. De woorden ‘redactie’ en ‘journalisten’ boezemen haar sinds het nieuws van woensdag 7 januari 2015 angst in.

Ik heb wel eens mensen geïnterviewd die met een rechterlijke machtiging waren opgenomen in de psychiatrie. Ik ben getuige geweest van een gedwongen crisisopname waarbij met veel dwang en drang een patiënt werd gesepareerd. Ik heb wel eens een tbs-er gesproken en ben regelmatig in gevangenissen geweest. Ik heb mensen gesproken die ondraaglijk leden, maar niet voor euthanasie in aanmerking kwamen. Ik heb gedichten geschreven over de liefde en over verlies, met grote woorden er in als wanhoop en rouw.

Ik heb een boek opgedragen aan een vriend die suïcide pleegde.

Ik heb een paar columns geschreven met een mening erin, over prestatiedruk en over de neoliberale samenleving, over bureaucratie in de zorg en over de noodzaak te denken aan de dood.

Allemaal heel veilig.

Ik ken dappere journalisten die oprecht worden gedreven door een verlangen de waarheid aan het licht te brengen.

Ik ken dichters wier waarheid alleen in hun hoofd huist.

Ik geloof niet in de waarheid. Ik ben niet dapper. Ik ben journalist geworden, omdat ik de wereld niet snap en (dus) vragen wil stellen. Ik schrijf gedichten, omdat ik geen andere manier vind om het onbenoembare van schoonheid en troost tastbaar te maken. Een half leven wilde ik liever een man zijn. Mijn haar verf ik al jaren.

Ik ben Charlie niet. Geen Anna Achmatova. Ik stond ook niet op de Dam gisteren. Ik heb een dag lang alle commentaren, blogs en cartoons bestudeerd die wereldwijd werden verspreid en heb mij alleen maar afgevraagd wat mij als journalist, dichteres, vrouw en roodharige nu te doen staat anders dan een cartoon delen op Facebook en toch lachen om die korte Lucky tv “Je suis Willy”.

Moet ik de wijken in trekken zoals oud Trouw-journalist Perdiep Ramesar en smeuïge reportages schrijven waarmee de angst wordt gevoed?

Moet ik gaan bloggen voor de zich als rechts profilerende nieuwssite jalta.nl of juist voor het als links bekendstaande de correspondent?

Moet ik het gesprek aangaan met de moeders van die etters die mijn dochters op straat na-sissen en hoer noemen?

Hoe moedig ben ik, hoe veilig wil ik zijn?

Vragen. Zoals Remco Campert dichtte.

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt
zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud
zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen.

blog – Excelleren

Vrijdag 6 september 2013

Excelleren

Proberen het beste uit elk kind te halen, is lovenswaardig. Zowel moeilijk lerende kinderen als intelligente hoogvliegers verdienen het te worden gestimuleerd. Maar aan een te grote druk om te presteren, zitten schaduwkanten.

Wie het woord voor het eerst in de mond nam weet ik niet, maar sinds een paar jaar is het hip: excelleren. Het maaiveld en het typisch Nederlandse doe-maar-gewoon hebben afgedaan, het moet afgelopen zijn met de zesjescultuur, leve de toppers. Ook staatssecretaris Sander Dekker wil afrekenen met de middelmaat en talent de ruimte geven die het verdient (Opinie & Debat, 2 september). In vijf jaar cum laude slagen voor je VWO-eindexamen en een door het bedrijfsleven gesubsidieerde beurs voor slimmerikken zijn twee van de mogelijkheden die hij oppert om “toptalenten meer uit te dagen en te belonen voor hun prestaties”.

Ik ben de eerste om toe te geven dat het onderwijs hier en daar de lat flink wat hoger mag leggen als het om basale cognitieve vaardigheden gaat als rekenen en taal. Iedereen die wel eens les heeft gegeven op de universiteit of het HBO zal beamen dat de gemiddelde student slecht tot zeer slecht Nederlands beheerst. Het Koningslied (‘de dag die je wist dat zou komen’) en de H.J. Schoo-lezing van premier Rutte (‘ik zie een land voor ogen…’) zijn sprekende voorbeelden van de belabberde stand van het taalonderwijs. Te lang is de nadruk gelegd op gezellig meedoen in de klas in plaats van op toepassing van ‘t (ex) kofschip. Niet voor niets is de vereniging Beter Onderwijs Nederland van filosoof Ad Verbrugge opgericht om het echec van veertig jaar onderwijsvernieuwing aan de kaak te stellen.

Goed onderwijs voor iedereen is echter iets anders dan excellent onderwijs voor enkelen. Harde exameneisen voor alle leerlingen, zonder onderhandelingsmarge, zijn iets anders dan gesubsidieerde beurzen voor een paar hyperintelligente kinderen. Het eenzijdig belonen van excellerende leerlingen zal niet alleen leiden tot de spreekwoordelijke uitdaging die Dekker voor ogen staat, maar ook tot de zoveelste wedstrijd tussen winners en losers die onze samenleving toch al typeert. Al jaren is er een felle strijd gaande tussen ouders en leerkrachten over de CITO-score, want wie onder de havo-vwo norm scoort heeft eigenlijk al afgedaan. Die concurrentie om bij de winnaars te horen en vooral niet achter te blijven maakt kinderen, maar ook hun ouders, doodongelukkig. De ouders die het kunnen betalen procederen net zo lang tot hun kind op het goede gymnasium zit; de excellerende leerlingen zelf gaan gebukt onder het gevoel het allemaal waar te moeten maken. Later in hun loopbaan kan dat leiden tot gevoelens van mislukking, uitmondend in depressies. De dwang tot succes en geluk is tegenwoordig zo groot, dat het gebruik van antidepressiva onder zogeheten excellerende toppers schrikbarend hoog is. Lees het boek Identiteit van de Belgische hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe er nog maar eens op na.

In het van oudsher calvinistische Nederland was woekeren met je talent niet meer dan vanzelfsprekend. Wat dat betreft is er echt niet veel nieuws onder de zon. Natuurlijk moeten we kinderen aanspreken op hun vermogen, ieder op zijn eigen niveau. Natuurlijk moeten we als ouders en onderwijzenden prikkelen, stimuleren, uitdagen. Maar we moeten ook accepteren dat het leven niet alleen bestaat uit topprestaties, maar ook uit blauwe plekken. Dat niet iedereen voortdurend maar kan excelleren, maar dat er verschillen bestaan, en dat mislukking en verlies bij het leven horen. Dat zouden we onze kinderen weer moeten leren – en onszelf trouwens ook: verliezen. Tegen je verlies kunnen.

Het kind dat 527 voor de CITO-score haalt, is geen loser en mag niet voorgoed worden afgeschreven. De leerling die 550 scoort, mag best wat extra lesstof krijgen, maar moet ook leren te falen. Laten we ophouden iedereen voortdurend te scoren op een ranglijst, meneer Dekker. Zorg gewoon voor goed, degelijk onderwijs.

Dit artikel werd eerder geplaatst als opinie in de Volkskrant van woensdag 4 september 2013

blog – De mens is geen merk

Donderdag 6 februari 2014

De mens is geen merk

Je passie volgen. Kansen zien. Geluk grijpen, rijkdom afdwingen. En dat allemaal omdat jij uniek, veelzijdig, authentiek en onmisbaar bent. Dat is de dominante cultuur van de afgelopen twintig jaar geworden, beïnvloed door marktdenken (iedereen een merk) en technologische ontwikkeling (Facebook, twitter et cetera). Maar sinds succes een keuze is geworden, groeit het onbehagen. Twintigers haken uitgeput af als ze voor hun vijfentwintigste nog geen boek hebben gepubliceerd of niet hebben opgetreden bij DWDD. Bart Cosijn en Anouk Eigenraam schreven er een goed stuk over in NRC Handelsblad van 1 februari (Opinie & debat) en Jeroen van Baar schreef er een heel boek over, De prestatiegeneratie, een pleidooi voor middelmatigheid.

Het doet mij als exponent van de generatie X deugd dat deze jonge mensen durven uitkomen voor de negatieve gevolgen die al dat najagen heeft. Al eerder waarschuwden deskundigen als psycho-analyticus en schrijver Paul Verhaeghe (Identiteit, De neoliberale waanzin) en psychiater Dirk de Wachter (Borderline times) voor de negatieve gevolgen van de prestatiedruk. Het aantal mensen dat lijdt aan depressies neemt schrikbarend toe; de WHO verwacht dat in 2020 depressie na hart- en vaatziekte de tweede ziekte zal zijn. Maar de schade is groter. Niet alleen individuen raken geestelijk ontwricht als hun dromen geen bestsellers worden en ze daarop publiekelijk worden afgerekend, de hele maatschappelijke structuur lijdt onder de dwang dat het glas altijd half vol moet zijn. Niet meer getraind om het noodlot te accepteren en niet meer belezen genoeg om te begrijpen dat het bestaan absurd was, is en altijd zal blijven, vluchten we voor al het lelijke dat het leven ons biedt. We schrijven kinderen die minder dan 545 op de Cito scoren bij voorbaat af, net als studenten die niet excelleren en werknemers die te weinig flexibel zijn om na acht reorganisaties nog steeds vol passie de zoveelste punt-op-de-horizon te zetten. We mijden vrienden die werkloos worden, ontkennen gevoelens van somberheid, en proberen de pijn van echtscheidingen, ziekte, ouderdom en, ten slotte, de dood, met alle kracht buiten ons te houden. Dat doen we bij voorkeur door een beschuldigende vinger naar de ander te wijzen. Niet geslaagd? Eigen schuld.

Misschien komt het, omdat in de jaren tachtig waarin ik opgroeide alles somber was, maar ik heb die houding van “geluk is een keuze” en “succes dwing je af” nooit begrepen. Elke week blader ik met verbijstering door de glanzende bijlagen van de kranten waarin ondanks de aanhoudende economische crisis, de vergrijzing en de steeds grotere kans op psychische ziekten nog steeds alles mooi, rijk en jong is. Zelfs de contactadvertenties verraden een bijna panisch aandoende hunkering naar een fantastische sprookjeswereld, terwijl de zoekende partners toch zouden moeten weten dat die niet bestaat. Getuige de advertenties in NRC is iedereen uit het bestand van perelatie.nl (veertig plussers) ‘hartelijk’, ‘optimistisch’, ‘succesvol’, ‘energiek’, ‘slim’ en ‘een doorzetter’. Terwijl we allemaal weten dat achter die woorden eenzaamheid, rouw en verlies schuilgaan. De wereld is geen sprookje en het leven geen rozentuin. Wie daar nog aan twijfelt moet de film La grande bellezza (nog) een keer bekijken. In die film figureren allemaal hyper succesvolle mensen en ze zijn allemaal doodongelukkig.

Ik ben ervan overtuigd dat al die nadruk op excellentie en succes mensen veel ongelukkiger maakt dan ze zouden hoeven zijn. Wie voor zichzelf een gemis kan toegeven en dat kan delen met iemand anders, voelt zich over het algemeen veel beter dan degene die krampachtig blijft beweren dat het gewéldig met de kinderen gaat. Het glas, dames en heren, is niet half vol, maar half leeg. Of, zoals de Franse filosoof Albert Camus schreef in het toneelstuk Caligula: Les hommes meurent et ils ne sont pas heureux. De mensen sterven en ze zijn niet gelukkig.

We gaan allemaal dood en we moeten er maar het beste van zien te maken. Niet door te roepen dat het goed komt als je maar positief denkt, maar door elkaar te steunen en met mildheid en mededogen naar onze eigen en elkaars blauwe plekken te leren kijken. Laten we ophouden elkaar de tent uit te vechten en ongelukkig te praten door het ongeluk te ontkennen. De mens is geen merk dat je met de juiste reclame succesvol in markt kunt zetten. Laten we ophouden te doen alsof.

Een ingekorte versie van deze opinie verscheen als ingezonden brief in NRC Handelsblad van 4 februari 2014.

blog – De nar

Zondag 19 februari 2012

De nar

Kaarsrecht loopt ze, Bettina Wulff. Haar benen kuis in het zwart, haar armen streng zwaaiend alsof ze marcheert. Ze lijkt iets langer dan haar man die een tikkeltje gebogen naast haar loopt. Zijn schouders hangen naar voren, de hare zijn stram opgetrokken. De foto stond in NRC Handelsblad van vrijdag 17 februari. De dag dat prins Johan Friso onder een lawine kwam en niemand dat nog wist.

Is het een maatpakje van een of andere dure designer dat ze draagt? Daar stond ze immers bekend om, de tweede echtgenote van de onlangs afgetreden Duitse president Christian Wulff. Chique kleding, dure hotels, een vriendschappelijke hypotheeklening van een half miljoen, vakanties, businessclass-tickets. Of hij de boel echt heeft geflest staat niet vast. Hij heeft wanhopig de hoofdredacteur van Bild gebeld, schijnt. Bild is het boulevardblad dat mensen maakt en breekt. Hij heeft gedreigd dat het “oorlog” werd als het blad zou berichten over een privélening van 500.000 euro, schijnt. Er is veel schijn in dit verhaal. Schone schijn. De journalistiek leeft daar van. Niet alleen de riooljournalistiek, ook de reguliere. Schijn bedriegt, maar dat is waarnaar we allemaal verlangen. Naar bedrog dat glimt.

Na het lezen van al het nieuws, weet ik niet wat waar is. Het Duitse publiek is verontwaardigd, dat is duidelijk. Wulff flirtte met een verlangen dat menselijk is, maar niet Duits genoeg. Mooie huizen, mooie auto’s, mooie vrienden, een mooie vrouw. Succes dat zich laat benoemen met namen als Ferrari, Gucci, Hermès en dat opvallend vaak blond is. Merken die meer zijn dan hun producten en die in de tegenwoordige tijd wereldwijd zonder spraakverwarring een signaal afgeven: ik heb het gemaakt, ik hoor erbij. En dat wil iedereen graag, erbij horen.

De tragiek van het mensenlijk bestaan is dat het verlangen meestal meer oplevert dan de bevrediging ervan. Het kapitalistische systeem (en niet alleen dat) drijft op verlangen. Verlangen dat afgunst voedt, maar ook ambities, verlangen dat om meer vraagt, en nog meer. Wulff had veel, maar wilde schijnbaar meer. Wie macht heeft, wil geld, wie geld heeft wil macht. Mensen hebben onrust nodig om te bewegen en verlangen brengt die onrust teweeg. De Duitsers eisen beheersing van die verlangens, van hun president en van Europa. Tegelijk kopen ze en masse Bild en vieren ze dit weekend carnaval. De wereld staat even op zijn kop. Koningin wordt moeder. Prins wordt zoon. Nar wordt koning.

Wereldwijd voeden levensgrote reclameposters een verlangen dat even menselijk als levensbedreigend is. We kunnen nog mooier worden, nog rijker, nog succesvoller. Maar wat blijft erover als het verlangen is bevredigd? Whitney Houston was extreem getalenteerd, succesvol en rijk. Christian Wulff had een prachtige carrière in publieke dienst. Johan Friso is ook niet onbemiddeld, niet in talent en niet in geld. Allemaal zijn ze gevallen deze week. En waarom? Omdat ze zichzelf niet meer in de hand hadden, klinkt het verwijt. Omdat ze zich niet konden beheersen. Maar mogen wij anderen, anderen die wijzelf willen zijn, verwijten dat zij de grenzen van hun verlangen hebben bereikt en zich daarom geen raad meer weten? Ik weet het niet. Als ik naar de rug van Bettina Wulff kijk, die opgetrokken schouders, betreur ik het dat zij geen nar in haar hofhouding had. Iemand die haar op tijd waarschuwde dat haar klerenkast nu wel erg vol werd. Zoals ik Witney Houston een manager had gegund die haar van het podium had afgehouden toen haar stem haar al verlaten had. Iemand die Johan Friso had uitgelachen toen hij off piste wilde gaan skiën.

In het middeleeuwse Europa beschikte elk hof over een nar. Een vaak even onooglijke als wijze clown die, naïef als een kind, durfde te roepen dat de keizer geen kleren aanhad als hij aan de hoogmoed ten prooi viel. Een hoogmoed die iedereen overvalt als hij nergens meer naar kan verlangen. In de negentiende en twintigste eeuw vervulde de pers soms deze clowneske rol om mensen te waarschuwen voor hun eigen val. Maar ook de journalistiek is inmiddels overgeleverd aan een grenzeloos verlangen, namelijk om te heersen over de mening van anderen. De mantelpakjes van Bettina zijn wat dat betreft vergelijkbaar met de berichten in NRC Handelsblad over het drama in Lech. Het zijn beelden van hoogmoed en niemand die ervoor heeft gewaarschuwd.

In een tijd dat we alles op eigen verantwoordelijkheid en persoonlijke wilskracht gooien hebben we elkaar nodiger dan ooit. Niet om elkaar op te drijven als lemmingen om nóg rijker te worden, nóg mooier en nóg succesvoller, maar door op tijd de wijn van tafel te halen. De fotograaf van Reuters die de Duitse president en zijn vrouw Bettina op de rug portretteerde heeft precies dat moment vastgelegd. Majesteit, genoeg gedronken.

blog – Toezicht

Zondag 19 februari 2012

Toezicht

Oud-staatsraad Rein Jan Hoekstra gaat het toezicht op de advocatuur controleren (De Volkskrant 30 januari). Het toezicht op de woningcorporaties heeft gefaald. En het toezicht op de HBO-instellingen wordt verscherpt. We stapelen toezicht en controle alsof het bakstenen zijn. Wat ontbreekt is het cement van de persoonlijke verantwoordelijkheid.

Het begon bij de accountants en daarna vielen ze allemaal als dominostenen achter elkaar. Bankiers, advocaten, priesters, HBO-bestuurders en deze week de topman van een woningcorporatie. Er ging “iets” mis en daaraan moet “iets” worden gedaan. Antwoord: meer toezicht. En als het toezicht faalt, moet er controle op het toezicht komen. Het is dat Nederland zoveel oud-bestuurders heeft, anders hadden we een chronisch tekort aan mankracht op de controlemarkt. Arthur Docters van Leeuwen, Wim Deetman, Rieke Samson en nu weer Rein Jan Hoekstra, ze hebben er allemaal een interessante oudere dag aan. Dat is hen van harte gegund, maar deze manier van denken gaat voorbij aan wat volgens mij het cement van een samenleving is, namelijk persoonlijke verantwoordelijkheid nemen. Zeker als professional.

Persoonlijke verantwoordelijkheid nemen betekent heel simpel dat je je werk naar eer en geweten doet. Ja, dat betekent schipperen. Jouw eer en jouw geweten hoeven immers niet te stroken met die van je baas of je klant. Daar praat je over, daar maak je keuzes in. Als freelance journalist weet ik bijvoorbeeld maar al te goed dat de waarheid niet bestaat en dat je nieuws op heel veel verschillende manieren kunt brengen. Leg eens drie ochtendkranten naast elkaar en je ziet dat de wereld er in De Telegraaf anders uitziet dan in De Volkskrant. Dat laat onverlet dat er een ondergrens is aan wat mensen kunnen, of mijns inziens zelfs moeten, tolereren. Voor de een ligt die grens misschien wat verder dan voor een ander, maar vrijwel iedere professional heeft een professioneel geweten. De waarheid heeft veel gezichten, de leugen maar één. Dat is de grens.

De professionele verantwoordelijkheid lijkt in de loop van de tijd te zijn weggelekt in een moeras van collectieve verantwoordingsconstructies waarin niemand meer goed weet who ’s to blame. Fouten in de bedrijfsadministratie, omkoopsommen in de vastgoedbranche, malafide beleggingsproducten, speculeren met derivaten en zelfs seksueel misbruik, het wordt achteraf verkocht alsof het gewoon was, omdat “iedereen” het deed. Achter de grote rug van het collectief is het veilig schuilen. Zeker met al die toezichthouders die op hun beurt weer worden gecontroleerd.

Ik ben ervan overtuigd dat nog meer toezicht en controle professionals niet helpen hun werk beter te doen. En ze helpen ook niet om klanten en burgers het vertrouwen terug te geven waaraan zij wel behoefte hebben. Vertrouwen is namelijk gebaat bij mensen die verantwoordelijkheid durven nemen, niet bij hen die er alleen maar verantwoording over afleggen. Neem de financiële dienstverlening. Ik krijg al maanden post van de ING over mijn beleggingsproducten met allerhande ingewikkelde zinsconstructies die suggereren dat ik enorm heb geboft. De bank legt verantwoording af en refereert aan nieuwe regels, nieuwe afspraken en andere toezichthouders. Nergens staat dat de bank zich, net als alle andere financiële dienstverleners, gewoon heeft laten meeslepen met de drift om nog meer om te zetten en dat dit ten koste is gegaan van zijn klanten. Nergens wordt uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen met die credit default swaps en hoe de bankiers daar zelf tegenover stonden. Niemand neemt zijn persoonlijk verantwoordelijkheid en dat is wat mij het meeste stoort. Niet het verlies op de lopende rekening, maar het gebrek aan persoonlijke moed.

Het vertrouwen in de financiële wereld is niet geschaad omdat er teveel verantwoording is afgelegd, maar omdat er te weinig persoonlijke verantwoordelijkheid is genomen. Precies hetzelfde geldt voor de vastgoedwereld, de katholieke kerk, de accountancy of de advocatuur. “Extra controle om het toezicht transparant te maken” helpt niemand aan een geweten. Terwijl dat precies is waaraan we behoefte hebben. Aan mensen die hun werk naar eer en geweten doen. Wie daarbij fouten maakt, moet zich achteraf durven verantwoorden, zo nodig bij de rechter. De collectieve grens van wat toelaatbaar is en wat niet wordt getrokken in de openbare rechtspraak. De individuele grens van persoonlijke verantwoordelijkheid trekt iemand als hij in de spiegel kijkt. Niet achter de rug van de controlerende toezichthouder.

(eerder gepubliceerd in De Volkskrant maandag 6 februari 2012)

blog – Transparantie

Zaterdag 28 januari 2012

Transparantie

Wie het woord heeft bedacht, weet ik niet, maar als hij het merkenrechtelijk had gedeponeerd, was hij binnen geweest. Transparantie. Spreek het langzaam uit en je krijgt een vieze smaak in de mond. Van zoveel helderheid ga je zweten.

Transparant betekent eigenlijk “doorzichtig”, maar wordt in een politiek-economische setting vaker vertaald als “zichtbaar”. Het is zo’n tien jaar geleden in zwang gekomen toen een aantal bedrijven de boel onwaarschijnlijk fleste – Enron en Worldcom in de VS, Parmalat in Italië, Ahold en Worldonline in Nederland. Valse cijfers, frauduleuze winstverwachtingen, verstopte brieven, misleidende brochures. Als reactie op dit uit de hand gelopen utopisme van de vrije markt tuigden overheden wetten en regels op die de oermenselijke drift om ten koste van alles en iedereen te winnen moesten beteugelen. In Amerika heette die wet de Sarbanes Oxley Act (vaak liefkozend Sox genoemd), Nederland hield het op een code die werd vernoemd naar een van haar bedenkers, oud-Unilever topman Morris Tabaksblat.

Een van de pijlers van de code-Tabaksblat was het woord “transparantie”. Als klanten, aandeelhouders en toezichthouders nu maar echt wisten wat er gaande was in een onderneming, zou het allemaal wel goed komen. Alles moest zichtbaar worden, de verwachtingen, de cijfers, de bonussen. Alsof van die zichtbaarheid enige beteugeling zou uitgaan.

De kinderboekenschrijver Paul Biegel schreef in 1974 het boek De vloek van Woestewolf dat hetzelfde jaar nog succesvol werd verfilmd als tv-serie. In de serie vertolkte de inmiddels overleden acteur Henk van Ulsen de hoofdrol van dokter Kroch, bij wie op een dag een kist vol goud wordt bezorgd. De brief die bij de kist zit, gooit de dokter ongelezen weg, omdat de afzender ervan, de hertog van Woestewolf, nauwelijks serieus kan worden genomen; hij lijdt namelijk aan goudkoorts.

Als twee struikrovers de kist met goud vervolgens roven, wordt de dokter gealarmeerd en besluit hij op zoek te gaan naar de hertog van wie niemand weet of hij echt bestaat. Desondanks blijft de dokter zoeken, ook al doen zich vreemde zaken voor. Spoken bestaan niet, gelooft Kroch. “Alles is te verklaren met wetenschap”. Totdat hij er achter komt dat het goud van Woestewolf geen gewoon goud is. Je kijkt er dwars doorheen.

De regelgeving over transparante verslaglegging van de bedrijfsvoering beoogde eerlijkheid, bescheidenheid en verantwoordelijkheid. In de praktijk leidde zij vooral tot een vergroting van de bureaucratie (in het jargon corporate governance genoemd) en tot een exponentiële stijging van de bonussen. Toen Jan van bedrijf X er namelijk achter kwam dat Piet van bedrijf Y veel meer verdiende dan hijzelf (en dat stond met zoveel woorden zichtbaar in de financiële verantwoording), drong hij bij zijn raad van commissarissen snel aan op een substantiële verhoging van zijn gage. En anders zou hij wel naar het buitenland gaan waar je je kop met goed fatsoen wel boven het maaiveld mag uitsteken en waar het niet vies is veel te verdienen. Transparantie had zo een prijsopdrijvend in plaats van een nivellerend effect. Met alle gevolgen voor de huidige schuldencrisis van dien.

Het is spijtig dat economische wetenschappers en financiële consultants zo weinig kinderboeken lezen en niet eerder een keer een crèche zijn binnengestapt. Wie een gemiddelde peutergroep bezoekt, krijgt namelijk een glashelder inzicht (transparant!) in wat de mens ten diepste vermag. Twee woordparen horen daar onherroepelijk bij: “van mij” en “ik ook”. Als Tom met de blokken speelt, pakt Marcel ze van hem af. “Van mij!” Als Stacy ziet dat Madeleine een barbie heeft, wil zij er ook één. “Ik ook!” Transparante verslaglegging van deze incidenten zal het gedrag van de kinderen niet veranderen. Een montere leidster die Tom en Marcel samen aan het werk zet, kan dat wel. “De blokken zijn van ons allemaal jongens.” En Madeleine kan haar eigen pop voortaan maar beter thuis laten. Dat geeft rust op de groep.

Transparantie is als het goud van Woestewolf, je kijkt er dwars door heen. Doorzichtige zichtbaarheid is het en daarmee een tegenstelling in zichzelf. Jammer dat er op het World Economic Forum in Davos geen peuterleidsters aanwezig zijn.

blog – Bibliothecaresse

Donderdag 12 januari 2012

Bibliothecaresse

Terwijl ik op duizend meter hoogte in een Gasthof op een alm (dat is een weide) in Oostenrijk lag te slapen, afgesneden van de werkelijkheid door een ongekende sneeuwval die zelfs een tochtje naar het dal vrijwel onmogelijk maakte, droomde ik over Nederland. Ik wist toen nog niets over de reis die Rob Oudkerk had gemaakt naar Hong Kong, ik had zijn analyse over ons visieloze landje nog niet gelezen (de Volkskrant 8 januari 2012) noch het commentaar daarop van Volkskrant-journaliste Sheila Sitalsing. Oudkerk vindt ons slap, een eeuwige tweede, een hyperig, onbeschoft k.u.t. landje dat niet meer weet wat beschaving is. Een land zonder agenda, zonder visie, zonder moed.

Op de Oostenrijkse alm was Hong Kong ver weg, te ver voor mijn verbeelding. Ik droomde alleen maar over het land waar ik ben geboren, maar niet over zijn tulpen of zijn taal, zijn wolkenluchten of zijn dichters. Ik droomde – oh rijkdom van het onvoltooide – over de arbeidsmarktanalyse die het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt eind 2011 publiceerde. Daarin stond dat het helemaal zo slecht nog niet gaat op de arbeidsmarkt in Nederland. Jongeren doen er alleen goed aan niet te kiezen voor een (loop)baan als jurist of journalist. En wat je in elk geval niet meer moet worden in 2012 is bibliothecaresse.

Omdat ik journalist ben, en jurist, is zo’n analyse natuurlijk altijd even slikken. Niet voor niets droomde ik erover. Ik herinner me de tijd dat ik afstudeerde en solliciteerde (nu twintig jaar geleden) nog goed. Honderden brieven, honderden afwijzingen. Mr.drs. en cum laude afgestudeerd met een stage aan de Sorbonne in Parijs, het maakte allemaal niet uit. Jurist en journalist, het was, ook twintig jaar geleden al, een qua arbeidsmarktperspectief hopeloze combinatie.

Het was niet erg. Het is niet erg. Wet en woorden vinden altijd hun weg. Het wordt alleen steeds moeilijker ze te vinden op de plaats die er ooit voor was bedoeld: de bibliotheek.

De bibliotheek was voor mij als kind, als scholier en als student niets minder dan het heilige der heilige. Het was de plaats waar kennis gratis voor het oprapen lag, een schuilplaats voor de zoekenden, een vindplaats voor de onwetenden. En voor wie dreigde te verdrinken in die overvloed van woorden, was er altijd de zwijgende engel achter de balie die vond wat onvindbaar leek: de bibliothecaresse. Alwetend, overtuigend en bescheiden wist zij geheimen te openbaren en leerde zij honderden, duizenden kinderen niet alleen hoe zij antwoorden konden vinden op hun vragen, maar ook hoe zij nieuwe vragen konden stellen. Een bron van eeuwige jeugd was zij, een verlangen naar weten en nog meer weten. Zij was de toekomst zelf, al was zij soms op leeftijd.

Zou het die alwetende bescheidenheid zijn die haar nu wordt verweten? Want de bibliothecaresse heeft in Nederland haar langste tijd gehad. Nederland wil geen denkers meer, maar doeners. Nederland wil geen lezers meer, maar ondernemers. Geen gratis kennis, geen stilte tussen de regels. Nederland wil niet zoeken, maar vinden, geen vragen, maar antwoorden. Hup, handen uit de mouwen en neuzen uit het boek. Dat doen ze in China immers ook, neuzen uit boeken halen. Dat heet censuur.

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham schreef in 1998 een boek waarmee hij de Pulitzer Prize won. Het heet The Hours en het gaat over drie vrouwen in drie verschillende tijdsgewrichten die van woorden leven en daarmee hun leven vormgeven. Eén van de vrouwen is gemodelleerd naar het voorbeeld van de schrijfster Virginia Woolf, de ander is een redactrice van een uitgeverij. De derde vrouw verlaat in de jaren vijftig haar jonge gezin in de VS en wordt bibliothecaresse in Toronto. Ze kiest niet voor een groot en wild meeslepend leven in een ondernemende wereldstad als Hong Kong, maar verdwijnt tussen de schappen in een haar onbekende stad. Het boek van Cunningham werd in 2002 verfilmd. Nicole Kidman won een Oscar voor de beste vrouwelijke hoofdrol. Zij speelde Virginia Woolf.

In mijn droom vloeide de arbeidsmarktanalyse van het ROA langzaam over in de uren van Cunningham, onwerkelijk als de metershoge sneeuw voor het raam. Zwetend werd ik wakker in het besef dat ik leef in een land dat de bibliothecaresse wegbezuinigt ten gunste van asfalt. Geen woorden maar wegen. Volgens mij noemen ze dat in Hong Kong visionair.

blog – De voorbije tijd

Zondag 1 januari 2012

De voorbije tijd

El naufragio de los hombres, vertaald in het Engels als the Wreck of Men is een video-object van de Argentijnse kunstenaar Charly Nijensohn. Het bestaat uit een drieluik van filmbeelden waarop eenzame menselijke vormen in een adembene-

mend, desolaat landschap figureren. Nijensohn maakte de opnamen op een zout-

vlakte in Bolivia waar armoede en commerciële zoutwinning het voortbestaan van de plaatselijke bevolking, de Aymara, bedreigen. Naufragio is letterlijk vertaald wrak, maar het Engelse “wreck” kan ook schipbreuk of ondergang betekenen. Zo zal Nijensohn het hebben bedoeld. Wie naar de beelden kijkt (en dat kan nog tot 15 januari in het Kröller-Müller museum) bekruipt het gevoel van een nederlaag. De figuranten in de installatie, allemaal Aymara, zijn niets meer dan schaduwen die slechts herinneren aan wat mensen moeten zijn geweest. Als kruizen staan zij stil in het landschap, geteisterd door slagregens en windvlagen. Wolken razen langs de hemel, zon en zout kleuren de grond, maar de mens blijft gezichtsloos als een leeg object, een symbool van tergende eenzaamheid en, inderdaad, verval. Op den duur, zo suggereren de beelden, zullen de figuren verweren in het veld. Gegeseld door de elementen zullen zij vergaan tot het zout waarop zij staan. Wat de mens vernietigt, zal de mens vernietigen. Totdat de aarde weer woest en ledig zal zijn, zoals het ooit begon.

De Aymara, een bevolkingsgroep van zo’n twee miljoen mensen, spreken een taal waarin de verleden tijd wordt gepresenteerd als iets wat voor ons ligt in plaats van achter ons. Zoals kinderen de verleden tijd soms gebruiken om aan te duiden wat zij van plan zijn te gaan doen – “en dan was jij de juffrouw en ik het kind en dan stuurde jij mij weg” – zo formuleren de Aymara hun verleden als hun toekomst, de voorbije tijd als hun toekomende. Misschien dat wij op een soortgelijke manier het voorbije jaar 2011 kunnen vertalen in het komende jaar 2012. Het jaar waarin zo veel wat van waarde is schipbreuk leed – de kunsten, de geestelijke gezondheidszorg, het vertrouwen in de rechtspraak – verdient het opnieuw te worden geleefd, als constructie van verlangen naar iets dat niet alleen wordt afgebroken, maar ook wordt opgebouwd, niet alleen vergaat, maar ook vrucht draagt. Met het in beeld brengen van het verval van de zoutvlakten in Bolivia en het volk dat daar woont, heeft Nijensohn pijnlijk prachtig laten zien hoe noodzakelijk het is ons te blijven snijden aan schoonheid. Want dat is wat kunst doet. Schipbreuk leiden. Moge 2012 dat lijden verlichten.

blog – Wilszwakte

Maandag 10 oktober 2011

Wilszwakte

Op zoek naar mogelijkheden om de steeds maar groeiende kosten van de gezondheidszorg te beheersen, opperen beleidsmakers en verzekeraars steeds vaker om rokers, drinkers en eters meer premie te laten betalen. Zij die genetisch zijn belast met een gezondheidsprobleem mogen rekenen op enige solidariteit van de premie betalende massa, maar zij die zich bewust en vermijdbaar overgeven aan evident schadelijke activiteiten als roken, drinken of (teveel) eten, mogen anderen niet op laten draaien voor hun zelfdestructieve gedrag. De samenleving zou deze “rokers en gulzigaards” hoogstens één keer een traject “psychische begeleiding tegen wilszwakte” kunnen aanbieden, zoals een brievenschrijver in de Volkskrant woensdag 5 oktober voorstelde. En voor de rest betaalt de vervuiler, ook als hij niemand anders vervuilt dan zichzelf.

Sinds we weten dat ons brein plastisch is en wij ons brein zijn, wordt meer dan ooit de suggestie gewekt als zouden mensen altijd in staat zijn het geluk in hun voordeel te keren. Ondanks dat wetenschappelijk al lang is vastgesteld dat verslaving net als borstkanker of schizofrenie een sterk genetische component heeft en dus weinig met wilszwakte heeft te maken, blijven mensen maar geloven dat wie echt wil alles kan. Dat is een schromelijke overschatting van het menselijke vermogen, vrees ik. Wilskracht helpt bij het halen van bepaalde doelen, maar verblindt evenzeer. Zij die uit zijn op hun eigen succes verliezen even zo vaak de ander uit het oog. En dat terwijl de mens bij uitstek een sociaal wezen is. Zonder anderen verpieteren we allemaal.

Minister Schippers van Volksgezondheid zei dit weekend in NRC Handelsblad dat ze geen levensstijlpolitie wil. Dat pleit voor haar. Tegelijk bezuinigt deze minister miljoenen op de GGZ. Die psychische begeleiding tegen wilszwakte zit er dus sowieso niet meer in. Wat rest is de acceptatie dat er ziekten zijn waarmee wij, als individu en als samenleving, zullen moeten leren leven. Financieel én emotioneel. De werkelijkheid zit vol blauwe plekken en die moeten we niet verdoezelen, maar verzorgen. Niet uitsluiten, maar insluiten.

blog – Uitverkoop

Zondag 3 juli 2011

Uitverkoop

Alsof alles van waarde in de uitverkoop stond deze week. Op maandag waren het de musici en acteurs die na een Mars van Beschaving het Binnenhof bereikten en tevergeefs lieten horen en zien dat ze toch echt de moeite waard zijn. Staatssecretaris Halbe Zijlstra was er niet gevoelig voor en zette de boel in de etalage. Die voorraden aan cultuur moeten nodig verramsjt.

Op woensdag waren het de patiënten van de geestelijke gezondheidszorg. Hoewel zij en hun hulpverleners uit de GGZ veel minder publicitaire aandacht trokken – een schizofreen doet het beeldtechnisch toch minder dan, pak ‘m beet, Halina Reijn – stonden ook zij manmoedig te verkleumen op het Malieveld. Minister Schippers nam een petitie aan waarop meer dan 40.000 handtekeningen stonden, maar ze had de kortingsbonnen voor de dolle dwaze dagen al verstuurd. Donderdag loodste zij probleemloos haar plannen langs de liberale lolbroeken en rancuneuze rakkers van het kabinet waardoor de zotten en zinnelozen van deze wereld voortaan zelf een deel van hun behandeling mogen betalen. “Vogel het zelf maar uit”, staat op het reclamebord dat boven de ballenbak van de bezuinigingen hangt. “Iedereen ondernemer”.

Op vrijdag ten slotte volgde het nieuws dat de Nederlandse literaire uitgeverijen in zulk zwaar weer zitten dat de Arbeiderspers is genoodzaakt samen te gaan met A.W. Bruna dat van oudsher een sterkere commerciële positie heeft. Dat komt vooral door bestseller kanonnen als Stieg Larsson, John Grisham en Suzanne Vermeer. In een tijd waarin veiligheid vóór justitie komt en wraak belangrijker is dan vergeving, verkopen bloeddorstige fantasieën over verkrachting, moord, afpersing en mishandeling nu eenmaal beter dan gedichten over de herfst en de dood van een geliefde.

In een wanhopige poging grip te krijgen op het gevoel van nutteloosheid dat mij deze week bekroop, herlas ik de gedichten van Lucebert. Zijn beroemde dichtregel “Alles van waarde is weerloos” prijkt al sinds 1979 in neonletters op een kantoorflat waarin een verzekeringsmaatschappij is gevestigd. Zo nieuw is het streven naar cultureel ondernemerschap dus niet. Hoe hard de maatregelen van dit rancunekabinet de schoonheid en de troost ook treffen, hoe luid de investment bankers en consultants straks ook het Nederlandse lied op Radio 2 zullen meebrullen, er zullen altijd weer dichters op staan, nuttelozen die woorden zoeken voor wat er is en wat er is geweest.

Door alle eeuwen heen zijn machthebbers bang geweest voor wat zij niet kunnen beheersen; gekte en gedichten. Laten we elkaar daarom fluisterend voorlezen in de holte van de nacht. Laten we niet oordelen, maar meedelen, laten we blijven schrijven en zingen over wat wij zien en horen, ruiken en voelen, en laat ons nooit vergeten dat verbittering hoop verstikt.

de zoeker naar de aard van een gedicht en

van des gedichts dichter

hij zal doof zijn voor het ijlingse

loven en laken van modejager & modeverguizer

de dichter hij eet de tijd op

de beleefde tijd

de toekomende tijd

hij oordeelt niet maar deelt mede

van dat waarvan hij deelgenoot is

mijn gedichten zijn gevormd

door mijn gehoor

en door de bewondering voor

en de verwantschap met

friedrich hölderlin & hans arp

de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij

daarom de proefondervindelijke poëzie is een zee

aan de mond van al die rivieren

die wij eens namen gaven als

dada (dat geen naam is)

en

daar dan zij wij damp

niemand meer rubriceert

Lucebert

Verzamelde gedichten (2002)