blog

blog- Op kamers

Zondag 17 september 2017

Op kamers

Tien jaar geleden kwamen we er wonen, in het huis met de kamers. Ze waren 9, 7 en 3, de dochters, en ze mochten zelf een nieuw bed uitzoeken. Op de bovenste etage legde ik kabels aan om televisie te kunnen kijken (wat kritische vrienden onverantwoord vonden). We kochten stapels cd’s met kinderliedjes, dvd’s met films over prinsessen, monsters en tovenaarsleerlingen. Voor de familiecomputer die in de woonkamer stond, kocht ik educatief verantwoorde cd-roms met spelletjes, over Rembrandt in het Rijksmuseum en de van origine Zweedse, maar bij ons Vlaams sprekende Alfons Åberg. In de kasten prijkten de boeken die mijn moeder mij voorlas, Beertje Ligthart van Jaap ter Haar en De zoon van de woordbouwer van Frank Herzen. Ik op mijn beurt las mijn dochters voor, avonden lang. Zij herinneren zich nog de verhalen, een enkele zin kunnen zij citeren.
Zelf lezen ze niet meer. Ze draaien geen cd’s en kijken geen dvd’s. De cd-roms lagen al jaren te verstoffen. Notebooks en smartphones, Spotify, Netflix, instagram en snapchat hebben mijn huishouden en dat van miljoenen mensen met mij in nog geen tien jaar fundamenteel veranderd. Mijn dochters zullen niet meer de boeken erven die ik van mijn moeder kreeg. De stapels fotoboeken die mijn vader zestig jaar lang zorgvuldig samenstelde, zullen uiteindelijk misschien gedigitaliseerd worden, maar waarschijnlijk door een kleinkind worden weggegooid. De kilometers papier waartussen ik mij veilig waande, verpulveren tussen mijn vingers.

Er zijn mensen die zeggen altijd naar voren te leven. Die de toekomst omarmen als de verloren gewaande zoon die ze nooit hebben gehad en hun teleurstellingen en angsten, gevoed door een onherstelbaar verleden, het liefst teniet doen met steeds weer nieuwe ervaringen en andere gezichten. Nostalgici, zij die zich juist troosten aan de dingen en de mensen van weleer, verhuizen zelden. Daartussenin leven de mensen van het heden, zij die wel mee moeten buigen met de tijd, omdat hun kinderen of hun baas dat eisen en die alleen al om die reden eens in de zoveel jaar grondig moeten opruimen.
Ik behoor tot het heden. Hoewel ik zelf schrijfster ben, wil ik mij niet beklagen over het verlies van de kracht van het boek. Games of thrones is voor mijn dochters net zo verslavend als Kruistocht in de spijkerbroek dat voor mij was (ik las het zeven keer). Het woord is beeld geworden, maar drieduizend jaar geleden gebeurde precies het tegenovergestelde en dat relativeert enorm. Bovendien bewijst een verkoopsucces als de Napolitaanse romans van Elena Ferrante dat de behoefte aan de verhalen over anderen en de tijd waarin zij leven wereldwijd nog steeds groot is.
De mens, naar voren levend, naar achteren kijkend of ploeterend in het nu, heeft verhalen nodig om zichzelf vorm te geven. De manier waarop mijn kinderen dat tegenwoordig doen, op hun telefoons, in universums waarin je foto’s van jezelf kunt manipuleren van hond tot Doutzen Kroes, is in essentie niet anders dan de manier waarop ik vroeger brieven schreef of tickets in dagboeken plakte. Wat is veranderd, is het zichtbare geheugen dat al dat papier, die boeken, die films en cd’s achterlieten in onze huizen.
Nu alles op een stick past, niet groter dan een duim, verdwijnt de mogelijkheid om, al opruimend, de herinnering haar werk te laten doen en daarmee betekenis aan het verleden te geven. Ik kon nog een laatste keer melancholisch meezingen met de muziek op de cd’s die ik opborg, ik kon de boeken ruiken die mijn moeder mij gaf en die ik zelf kocht, de verhalen herkauwen die ik in het geheugen van mijn dochters plantte. Door de rituelen te herhalen die generaties voor mij ook al voltrokken – het opruimen van de kamer van het kind dat vertrekt en daarmee ruimte gevend aan een nieuw evenwicht voor de kinderen die blijven – besefte ik eens te meer dat dit een deel mijn leven is geweest, de kindertijd van mijn dochters. Ik heb die tijd voor even weer kunnen vastpakken, waardoor ik mijn persoonlijke verhaal en dat van mijn kinderen in de geschiedenis heb kunnen plaatsen.
Als ik sterf, zullen mijn dochters hetzelfde moeten doen, want ondanks de drie kisten boeken en de tassen vol speelgoed en films die ik naar de kringloop bracht, staan de muren in dit huis nog altijd vol met boeken. Maar hun kinderen, mochten zij die krijgen, zullen andere rituelen moeten vinden om hun ouders in de tijd te plaatsen. De kans dat het usb-stickje van nu in het apparaat van de toekomst past, is klein. The cloud is weliswaar schier eindeloos, maar ook eindeloos onzichtbaar voor wie eens grondig wil opruimen. Zelf maak ik nog steeds fotoboeken die ik ook laat afdrukken. Wij kijken er samen nog regelmatig naar en halen zo de tijd weer in. Wie kijkt er nog samen naar de duizenden selfies die voor altijd op instagram staan?

Ik weet nog hoe het rook, in de keuken van mijn grootvader. Hij was banketbakker en maakte tot op hoge leeftijd zelf zijn eigen gebak, roomsoezen, banketstaaf en cake. Ons huis rook naar papier, naar boekenkasten vol stofnesten waar zilvervisjes tussen de bladzijden schuilden. Hoe zal het ruiken in de huizen van mijn dochters, waar het licht altijd flikkert en de schermen nooit op zwart springen? Hoe zullen zij hun eigen verleden en dat van ons behouden om te komen tot de verhalen die ons maken tot de mensen die wij waren en die zullen worden?
Ik durf het mijn dochters niet te vragen. Ik lap hun ramen, verschoon hun bedden en druk hun op het hart dat ze dat straks allemaal zelf moeten doen als ze op kamers gaan. Dan kijk ik naar de wanden die de jongste opnieuw heeft behangen met plaatjes die ze zelf heeft uitgeprint. Portretten van haarzelf, vrienden en vriendinnen, foto’s van haar zusjes, van ons, haar ouders, en van haar grootouders. Op het prikbord van de middelste dochter hangt de uitvaartliturgie van mijn vader en die van mijn schoonmoeder.
Over tien jaar zal ik die wanden weer opnieuw schilderen. Maar niet eerder.

blog – Voltooid leven

Maandag 22 mei 2017

Voltooid leven

Als ze vertelt dat ze in 1932 is geboren en Mirjam Kooperberg heet, hoeft ze niets meer uit te leggen. De geschiedenis van namen en data is groter dan zijzelf. Drie meisjes telde het gezin Kooperberg en ze overleefden allemaal de oorlog, in een kamp op Sumatra. Joodse overlevenden van een koloniale bezetting.

Haar eerste vriend heette Leon Lipschwitz. Ze leerde hem kennen via de joodse jeugdfederatie in Amsterdam. Ze maakten samen plannen, over kinderen en hoe zij de vloek zouden verbreken. Als ze een meisje zouden krijgen, wilden zij haar Mare noemen, het bittere kruid. Een zoon zou de naam Asaël krijgen, hij die God heeft gemaakt. Toen werd ze verliefd op Rien Karels, een arbeiderszoon uit Amsterdam-West. Niemand vond dat een goed idee.

Ze trouwden en kregen twee kinderen. Hun zoon noemden ze Piet, naar zijn oudste broer. Hun dochter heette Janna. Zo heette zijn moeder.
‘Janna komt van Johannes,’ zei ze tegen haar eigen moeder. ‘Yochanan, de door God begenadigde.’
‘Met Johannes heb ik niets te maken,’ antwoordde haar moeder.

Het huwelijk hield geen stand. Ze bleven goede vrienden. Zij voedde de kinderen op. Hij kwam elke donderdagavond eten.

Nadat hun dochter Janna zich in 1982 had opgehangen in het trapgat van haar huis, 24 jaar oud, hield Mirjam een dagboek bij. ‘In het radarwerk van haar geest moet iets beschadigd zijn,’ schreef ze. ‘Mijn moeder stierf toen ze 80 was. Oud en verzadigd van dagen, zoals in de Thora staat. Waarom mag een oude vrouw levensmoe zijn en een jonge vrouw als Janna niet? Waarom heb ik zo’n moeite dat te accepteren?’

 

 

 

blog – Maak er wat van

Dinsdag 2 mei 2017

Maak er wat van

Nadat haar beide borsten waren afgezet, leefde ze nog drie maanden. Het ging sneller dan verwacht. Ze stierf te midden van haar gezin, een man en vier kinderen. 56 jaar, dat is te jong, zegt iedereen. Te midden van een gezin, dat is genade, iedereen zegt het.
Makkelijk was het niet geweest. Op haar website beschreef ze openhartig hoe haar huwelijk tot twee keer toe in woelig water was terechtgekomen. Een keer, omdat ze hun huis ingrijpend hadden laten verbouwen. Een verbouwing is een van de grootste stressmomenten in een huwelijk, leerde ze.
Een paar jaar later ging het bijna mis, omdat de puberende kinderen een wig tussen hen dreigden te drijven. Hun jongste zoon was opgepakt door de politie. Haar man was woedend geweest, zij was ertussen gesprongen.
Door haar persoonlijke ervaringen te delen, hoopte ze nieuwe klanten te werven. Na een carrière in de zorg, was ze toe aan een nieuwe uitdaging. Ze werd coach. Ze wilde mensen helpen de lichtheid in het dagelijks leven terug te vinden.
“Mensen zeggen vaak dat je wat van het leven moet maken”, schreef ze op haar site. “Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Persoonlijke problemen hebben we allemaal, in elke levensfase. Daarvoor hoeven we ons niet te schamen, daarover moeten we praten. Dat gaat soms makkelijker met een vreemde dan met je eigen partner.”
Haar man had een tijdje een minnares gehad, een collega, blond. Dat was de derde crisis geweest. Dat schreef ze maar niet op.

Hij bleef bij haar tot het einde. Hij betastte haar geschonden huid ter hoogte van haar hart, daar waar zij hun kinderen had gezoogd. Hij stond naast haar bed toen haar adem stokte.

Haar website is nog altijd in de lucht.

blog – Verzet

Vrijdag 9 januari 2015

Verzet

Ze zei het half lachend, half beschaamd, mijn oudste dochter. ‘Mam, in vrijwel elke dictatuur zou jij als een van de eersten worden vervolgd. Je bent journalist, dichteres, vrouw en roodharig. Dat is vragen om moeilijkheden.’

Dat was voor de aanslag in Parijs op de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo.

Nu is mijn jongste dochter bang dat ik word neergeschoten. De woorden ‘redactie’ en ‘journalisten’ boezemen haar sinds het nieuws van woensdag 7 januari 2015 angst in.

Ik heb wel eens mensen geïnterviewd die met een rechterlijke machtiging waren opgenomen in de psychiatrie. Ik ben getuige geweest van een gedwongen crisisopname waarbij met veel dwang en drang een patiënt werd gesepareerd. Ik heb wel eens een tbs-er gesproken en ben regelmatig in gevangenissen geweest. Ik heb mensen gesproken die ondraaglijk leden, maar niet voor euthanasie in aanmerking kwamen. Ik heb gedichten geschreven over de liefde en over verlies, met grote woorden er in als wanhoop en rouw.

Ik heb een boek opgedragen aan een vriend die suïcide pleegde.

Ik heb een paar columns geschreven met een mening erin, over prestatiedruk en over de neoliberale samenleving, over bureaucratie in de zorg en over de noodzaak te denken aan de dood.

Allemaal heel veilig.

Ik ken dappere journalisten die oprecht worden gedreven door een verlangen de waarheid aan het licht te brengen.

Ik ken dichters wier waarheid alleen in hun hoofd huist.

Ik geloof niet in de waarheid. Ik ben niet dapper. Ik ben journalist geworden, omdat ik de wereld niet snap en (dus) vragen wil stellen. Ik schrijf gedichten, omdat ik geen andere manier vind om het onbenoembare van schoonheid en troost tastbaar te maken. Een half leven wilde ik liever een man zijn. Mijn haar verf ik al jaren.

Ik ben Charlie niet. Geen Anna Achmatova. Ik stond ook niet op de Dam gisteren. Ik heb een dag lang alle commentaren, blogs en cartoons bestudeerd die wereldwijd werden verspreid en heb mij alleen maar afgevraagd wat mij als journalist, dichteres, vrouw en roodharige nu te doen staat anders dan een cartoon delen op Facebook en toch lachen om die korte Lucky tv “Je suis Willy”.

Moet ik de wijken in trekken zoals oud Trouw-journalist Perdiep Ramesar en smeuïge reportages schrijven waarmee de angst wordt gevoed?

Moet ik gaan bloggen voor de zich als rechts profilerende nieuwssite jalta.nl of juist voor het als links bekendstaande de correspondent?

Moet ik het gesprek aangaan met de moeders van die etters die mijn dochters op straat na-sissen en hoer noemen?

Hoe moedig ben ik, hoe veilig wil ik zijn?

Vragen. Zoals Remco Campert dichtte.

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt
zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud
zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen.

blog – Excelleren

Vrijdag 6 september 2013

Excelleren

Proberen het beste uit elk kind te halen, is lovenswaardig. Zowel moeilijk lerende kinderen als intelligente hoogvliegers verdienen het te worden gestimuleerd. Maar aan een te grote druk om te presteren, zitten schaduwkanten.

Wie het woord voor het eerst in de mond nam weet ik niet, maar sinds een paar jaar is het hip: excelleren. Het maaiveld en het typisch Nederlandse doe-maar-gewoon hebben afgedaan, het moet afgelopen zijn met de zesjescultuur, leve de toppers. Ook staatssecretaris Sander Dekker wil afrekenen met de middelmaat en talent de ruimte geven die het verdient (Opinie & Debat, 2 september). In vijf jaar cum laude slagen voor je VWO-eindexamen en een door het bedrijfsleven gesubsidieerde beurs voor slimmerikken zijn twee van de mogelijkheden die hij oppert om “toptalenten meer uit te dagen en te belonen voor hun prestaties”.

Ik ben de eerste om toe te geven dat het onderwijs hier en daar de lat flink wat hoger mag leggen als het om basale cognitieve vaardigheden gaat als rekenen en taal. Iedereen die wel eens les heeft gegeven op de universiteit of het HBO zal beamen dat de gemiddelde student slecht tot zeer slecht Nederlands beheerst. Het Koningslied (‘de dag die je wist dat zou komen’) en de H.J. Schoo-lezing van premier Rutte (‘ik zie een land voor ogen…’) zijn sprekende voorbeelden van de belabberde stand van het taalonderwijs. Te lang is de nadruk gelegd op gezellig meedoen in de klas in plaats van op toepassing van ‘t (ex) kofschip. Niet voor niets is de vereniging Beter Onderwijs Nederland van filosoof Ad Verbrugge opgericht om het echec van veertig jaar onderwijsvernieuwing aan de kaak te stellen.

Goed onderwijs voor iedereen is echter iets anders dan excellent onderwijs voor enkelen. Harde exameneisen voor alle leerlingen, zonder onderhandelingsmarge, zijn iets anders dan gesubsidieerde beurzen voor een paar hyperintelligente kinderen. Het eenzijdig belonen van excellerende leerlingen zal niet alleen leiden tot de spreekwoordelijke uitdaging die Dekker voor ogen staat, maar ook tot de zoveelste wedstrijd tussen winners en losers die onze samenleving toch al typeert. Al jaren is er een felle strijd gaande tussen ouders en leerkrachten over de CITO-score, want wie onder de havo-vwo norm scoort heeft eigenlijk al afgedaan. Die concurrentie om bij de winnaars te horen en vooral niet achter te blijven maakt kinderen, maar ook hun ouders, doodongelukkig. De ouders die het kunnen betalen procederen net zo lang tot hun kind op het goede gymnasium zit; de excellerende leerlingen zelf gaan gebukt onder het gevoel het allemaal waar te moeten maken. Later in hun loopbaan kan dat leiden tot gevoelens van mislukking, uitmondend in depressies. De dwang tot succes en geluk is tegenwoordig zo groot, dat het gebruik van antidepressiva onder zogeheten excellerende toppers schrikbarend hoog is. Lees het boek Identiteit van de Belgische hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe er nog maar eens op na.

In het van oudsher calvinistische Nederland was woekeren met je talent niet meer dan vanzelfsprekend. Wat dat betreft is er echt niet veel nieuws onder de zon. Natuurlijk moeten we kinderen aanspreken op hun vermogen, ieder op zijn eigen niveau. Natuurlijk moeten we als ouders en onderwijzenden prikkelen, stimuleren, uitdagen. Maar we moeten ook accepteren dat het leven niet alleen bestaat uit topprestaties, maar ook uit blauwe plekken. Dat niet iedereen voortdurend maar kan excelleren, maar dat er verschillen bestaan, en dat mislukking en verlies bij het leven horen. Dat zouden we onze kinderen weer moeten leren – en onszelf trouwens ook: verliezen. Tegen je verlies kunnen.

Het kind dat 527 voor de CITO-score haalt, is geen loser en mag niet voorgoed worden afgeschreven. De leerling die 550 scoort, mag best wat extra lesstof krijgen, maar moet ook leren te falen. Laten we ophouden iedereen voortdurend te scoren op een ranglijst, meneer Dekker. Zorg gewoon voor goed, degelijk onderwijs.

Dit artikel werd eerder geplaatst als opinie in de Volkskrant van woensdag 4 september 2013

blog – De mens is geen merk

Donderdag 6 februari 2014

De mens is geen merk

Je passie volgen. Kansen zien. Geluk grijpen, rijkdom afdwingen. En dat allemaal omdat jij uniek, veelzijdig, authentiek en onmisbaar bent. Dat is de dominante cultuur van de afgelopen twintig jaar geworden, beïnvloed door marktdenken (iedereen een merk) en technologische ontwikkeling (Facebook, twitter et cetera). Maar sinds succes een keuze is geworden, groeit het onbehagen. Twintigers haken uitgeput af als ze voor hun vijfentwintigste nog geen boek hebben gepubliceerd of niet hebben opgetreden bij DWDD. Bart Cosijn en Anouk Eigenraam schreven er een goed stuk over in NRC Handelsblad van 1 februari (Opinie & debat) en Jeroen van Baar schreef er een heel boek over, De prestatiegeneratie, een pleidooi voor middelmatigheid.

Het doet mij als exponent van de generatie X deugd dat deze jonge mensen durven uitkomen voor de negatieve gevolgen die al dat najagen heeft. Al eerder waarschuwden deskundigen als psycho-analyticus en schrijver Paul Verhaeghe (Identiteit, De neoliberale waanzin) en psychiater Dirk de Wachter (Borderline times) voor de negatieve gevolgen van de prestatiedruk. Het aantal mensen dat lijdt aan depressies neemt schrikbarend toe; de WHO verwacht dat in 2020 depressie na hart- en vaatziekte de tweede ziekte zal zijn. Maar de schade is groter. Niet alleen individuen raken geestelijk ontwricht als hun dromen geen bestsellers worden en ze daarop publiekelijk worden afgerekend, de hele maatschappelijke structuur lijdt onder de dwang dat het glas altijd half vol moet zijn. Niet meer getraind om het noodlot te accepteren en niet meer belezen genoeg om te begrijpen dat het bestaan absurd was, is en altijd zal blijven, vluchten we voor al het lelijke dat het leven ons biedt. We schrijven kinderen die minder dan 545 op de Cito scoren bij voorbaat af, net als studenten die niet excelleren en werknemers die te weinig flexibel zijn om na acht reorganisaties nog steeds vol passie de zoveelste punt-op-de-horizon te zetten. We mijden vrienden die werkloos worden, ontkennen gevoelens van somberheid, en proberen de pijn van echtscheidingen, ziekte, ouderdom en, ten slotte, de dood, met alle kracht buiten ons te houden. Dat doen we bij voorkeur door een beschuldigende vinger naar de ander te wijzen. Niet geslaagd? Eigen schuld.

Misschien komt het, omdat in de jaren tachtig waarin ik opgroeide alles somber was, maar ik heb die houding van “geluk is een keuze” en “succes dwing je af” nooit begrepen. Elke week blader ik met verbijstering door de glanzende bijlagen van de kranten waarin ondanks de aanhoudende economische crisis, de vergrijzing en de steeds grotere kans op psychische ziekten nog steeds alles mooi, rijk en jong is. Zelfs de contactadvertenties verraden een bijna panisch aandoende hunkering naar een fantastische sprookjeswereld, terwijl de zoekende partners toch zouden moeten weten dat die niet bestaat. Getuige de advertenties in NRC is iedereen uit het bestand van perelatie.nl (veertig plussers) ‘hartelijk’, ‘optimistisch’, ‘succesvol’, ‘energiek’, ‘slim’ en ‘een doorzetter’. Terwijl we allemaal weten dat achter die woorden eenzaamheid, rouw en verlies schuilgaan. De wereld is geen sprookje en het leven geen rozentuin. Wie daar nog aan twijfelt moet de film La grande bellezza (nog) een keer bekijken. In die film figureren allemaal hyper succesvolle mensen en ze zijn allemaal doodongelukkig.

Ik ben ervan overtuigd dat al die nadruk op excellentie en succes mensen veel ongelukkiger maakt dan ze zouden hoeven zijn. Wie voor zichzelf een gemis kan toegeven en dat kan delen met iemand anders, voelt zich over het algemeen veel beter dan degene die krampachtig blijft beweren dat het gewéldig met de kinderen gaat. Het glas, dames en heren, is niet half vol, maar half leeg. Of, zoals de Franse filosoof Albert Camus schreef in het toneelstuk Caligula: Les hommes meurent et ils ne sont pas heureux. De mensen sterven en ze zijn niet gelukkig.

We gaan allemaal dood en we moeten er maar het beste van zien te maken. Niet door te roepen dat het goed komt als je maar positief denkt, maar door elkaar te steunen en met mildheid en mededogen naar onze eigen en elkaars blauwe plekken te leren kijken. Laten we ophouden elkaar de tent uit te vechten en ongelukkig te praten door het ongeluk te ontkennen. De mens is geen merk dat je met de juiste reclame succesvol in markt kunt zetten. Laten we ophouden te doen alsof.

Een ingekorte versie van deze opinie verscheen als ingezonden brief in NRC Handelsblad van 4 februari 2014.

blog – De nar

Zondag 19 februari 2012

De nar

Kaarsrecht loopt ze, Bettina Wulff. Haar benen kuis in het zwart, haar armen streng zwaaiend alsof ze marcheert. Ze lijkt iets langer dan haar man die een tikkeltje gebogen naast haar loopt. Zijn schouders hangen naar voren, de hare zijn stram opgetrokken. De foto stond in NRC Handelsblad van vrijdag 17 februari. De dag dat prins Johan Friso onder een lawine kwam en niemand dat nog wist.

Is het een maatpakje van een of andere dure designer dat ze draagt? Daar stond ze immers bekend om, de tweede echtgenote van de onlangs afgetreden Duitse president Christian Wulff. Chique kleding, dure hotels, een vriendschappelijke hypotheeklening van een half miljoen, vakanties, businessclass-tickets. Of hij de boel echt heeft geflest staat niet vast. Hij heeft wanhopig de hoofdredacteur van Bild gebeld, schijnt. Bild is het boulevardblad dat mensen maakt en breekt. Hij heeft gedreigd dat het “oorlog” werd als het blad zou berichten over een privélening van 500.000 euro, schijnt. Er is veel schijn in dit verhaal. Schone schijn. De journalistiek leeft daar van. Niet alleen de riooljournalistiek, ook de reguliere. Schijn bedriegt, maar dat is waarnaar we allemaal verlangen. Naar bedrog dat glimt.

Na het lezen van al het nieuws, weet ik niet wat waar is. Het Duitse publiek is verontwaardigd, dat is duidelijk. Wulff flirtte met een verlangen dat menselijk is, maar niet Duits genoeg. Mooie huizen, mooie auto’s, mooie vrienden, een mooie vrouw. Succes dat zich laat benoemen met namen als Ferrari, Gucci, Hermès en dat opvallend vaak blond is. Merken die meer zijn dan hun producten en die in de tegenwoordige tijd wereldwijd zonder spraakverwarring een signaal afgeven: ik heb het gemaakt, ik hoor erbij. En dat wil iedereen graag, erbij horen.

De tragiek van het mensenlijk bestaan is dat het verlangen meestal meer oplevert dan de bevrediging ervan. Het kapitalistische systeem (en niet alleen dat) drijft op verlangen. Verlangen dat afgunst voedt, maar ook ambities, verlangen dat om meer vraagt, en nog meer. Wulff had veel, maar wilde schijnbaar meer. Wie macht heeft, wil geld, wie geld heeft wil macht. Mensen hebben onrust nodig om te bewegen en verlangen brengt die onrust teweeg. De Duitsers eisen beheersing van die verlangens, van hun president en van Europa. Tegelijk kopen ze en masse Bild en vieren ze dit weekend carnaval. De wereld staat even op zijn kop. Koningin wordt moeder. Prins wordt zoon. Nar wordt koning.

Wereldwijd voeden levensgrote reclameposters een verlangen dat even menselijk als levensbedreigend is. We kunnen nog mooier worden, nog rijker, nog succesvoller. Maar wat blijft erover als het verlangen is bevredigd? Whitney Houston was extreem getalenteerd, succesvol en rijk. Christian Wulff had een prachtige carrière in publieke dienst. Johan Friso is ook niet onbemiddeld, niet in talent en niet in geld. Allemaal zijn ze gevallen deze week. En waarom? Omdat ze zichzelf niet meer in de hand hadden, klinkt het verwijt. Omdat ze zich niet konden beheersen. Maar mogen wij anderen, anderen die wijzelf willen zijn, verwijten dat zij de grenzen van hun verlangen hebben bereikt en zich daarom geen raad meer weten? Ik weet het niet. Als ik naar de rug van Bettina Wulff kijk, die opgetrokken schouders, betreur ik het dat zij geen nar in haar hofhouding had. Iemand die haar op tijd waarschuwde dat haar klerenkast nu wel erg vol werd. Zoals ik Witney Houston een manager had gegund die haar van het podium had afgehouden toen haar stem haar al verlaten had. Iemand die Johan Friso had uitgelachen toen hij off piste wilde gaan skiën.

In het middeleeuwse Europa beschikte elk hof over een nar. Een vaak even onooglijke als wijze clown die, naïef als een kind, durfde te roepen dat de keizer geen kleren aanhad als hij aan de hoogmoed ten prooi viel. Een hoogmoed die iedereen overvalt als hij nergens meer naar kan verlangen. In de negentiende en twintigste eeuw vervulde de pers soms deze clowneske rol om mensen te waarschuwen voor hun eigen val. Maar ook de journalistiek is inmiddels overgeleverd aan een grenzeloos verlangen, namelijk om te heersen over de mening van anderen. De mantelpakjes van Bettina zijn wat dat betreft vergelijkbaar met de berichten in NRC Handelsblad over het drama in Lech. Het zijn beelden van hoogmoed en niemand die ervoor heeft gewaarschuwd.

In een tijd dat we alles op eigen verantwoordelijkheid en persoonlijke wilskracht gooien hebben we elkaar nodiger dan ooit. Niet om elkaar op te drijven als lemmingen om nóg rijker te worden, nóg mooier en nóg succesvoller, maar door op tijd de wijn van tafel te halen. De fotograaf van Reuters die de Duitse president en zijn vrouw Bettina op de rug portretteerde heeft precies dat moment vastgelegd. Majesteit, genoeg gedronken.

blog – Toezicht

Zondag 19 februari 2012

Toezicht

Oud-staatsraad Rein Jan Hoekstra gaat het toezicht op de advocatuur controleren (De Volkskrant 30 januari). Het toezicht op de woningcorporaties heeft gefaald. En het toezicht op de HBO-instellingen wordt verscherpt. We stapelen toezicht en controle alsof het bakstenen zijn. Wat ontbreekt is het cement van de persoonlijke verantwoordelijkheid.

Het begon bij de accountants en daarna vielen ze allemaal als dominostenen achter elkaar. Bankiers, advocaten, priesters, HBO-bestuurders en deze week de topman van een woningcorporatie. Er ging “iets” mis en daaraan moet “iets” worden gedaan. Antwoord: meer toezicht. En als het toezicht faalt, moet er controle op het toezicht komen. Het is dat Nederland zoveel oud-bestuurders heeft, anders hadden we een chronisch tekort aan mankracht op de controlemarkt. Arthur Docters van Leeuwen, Wim Deetman, Rieke Samson en nu weer Rein Jan Hoekstra, ze hebben er allemaal een interessante oudere dag aan. Dat is hen van harte gegund, maar deze manier van denken gaat voorbij aan wat volgens mij het cement van een samenleving is, namelijk persoonlijke verantwoordelijkheid nemen. Zeker als professional.

Persoonlijke verantwoordelijkheid nemen betekent heel simpel dat je je werk naar eer en geweten doet. Ja, dat betekent schipperen. Jouw eer en jouw geweten hoeven immers niet te stroken met die van je baas of je klant. Daar praat je over, daar maak je keuzes in. Als freelance journalist weet ik bijvoorbeeld maar al te goed dat de waarheid niet bestaat en dat je nieuws op heel veel verschillende manieren kunt brengen. Leg eens drie ochtendkranten naast elkaar en je ziet dat de wereld er in De Telegraaf anders uitziet dan in De Volkskrant. Dat laat onverlet dat er een ondergrens is aan wat mensen kunnen, of mijns inziens zelfs moeten, tolereren. Voor de een ligt die grens misschien wat verder dan voor een ander, maar vrijwel iedere professional heeft een professioneel geweten. De waarheid heeft veel gezichten, de leugen maar één. Dat is de grens.

De professionele verantwoordelijkheid lijkt in de loop van de tijd te zijn weggelekt in een moeras van collectieve verantwoordingsconstructies waarin niemand meer goed weet who ’s to blame. Fouten in de bedrijfsadministratie, omkoopsommen in de vastgoedbranche, malafide beleggingsproducten, speculeren met derivaten en zelfs seksueel misbruik, het wordt achteraf verkocht alsof het gewoon was, omdat “iedereen” het deed. Achter de grote rug van het collectief is het veilig schuilen. Zeker met al die toezichthouders die op hun beurt weer worden gecontroleerd.

Ik ben ervan overtuigd dat nog meer toezicht en controle professionals niet helpen hun werk beter te doen. En ze helpen ook niet om klanten en burgers het vertrouwen terug te geven waaraan zij wel behoefte hebben. Vertrouwen is namelijk gebaat bij mensen die verantwoordelijkheid durven nemen, niet bij hen die er alleen maar verantwoording over afleggen. Neem de financiële dienstverlening. Ik krijg al maanden post van de ING over mijn beleggingsproducten met allerhande ingewikkelde zinsconstructies die suggereren dat ik enorm heb geboft. De bank legt verantwoording af en refereert aan nieuwe regels, nieuwe afspraken en andere toezichthouders. Nergens staat dat de bank zich, net als alle andere financiële dienstverleners, gewoon heeft laten meeslepen met de drift om nog meer om te zetten en dat dit ten koste is gegaan van zijn klanten. Nergens wordt uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen met die credit default swaps en hoe de bankiers daar zelf tegenover stonden. Niemand neemt zijn persoonlijk verantwoordelijkheid en dat is wat mij het meeste stoort. Niet het verlies op de lopende rekening, maar het gebrek aan persoonlijke moed.

Het vertrouwen in de financiële wereld is niet geschaad omdat er teveel verantwoording is afgelegd, maar omdat er te weinig persoonlijke verantwoordelijkheid is genomen. Precies hetzelfde geldt voor de vastgoedwereld, de katholieke kerk, de accountancy of de advocatuur. “Extra controle om het toezicht transparant te maken” helpt niemand aan een geweten. Terwijl dat precies is waaraan we behoefte hebben. Aan mensen die hun werk naar eer en geweten doen. Wie daarbij fouten maakt, moet zich achteraf durven verantwoorden, zo nodig bij de rechter. De collectieve grens van wat toelaatbaar is en wat niet wordt getrokken in de openbare rechtspraak. De individuele grens van persoonlijke verantwoordelijkheid trekt iemand als hij in de spiegel kijkt. Niet achter de rug van de controlerende toezichthouder.

(eerder gepubliceerd in De Volkskrant maandag 6 februari 2012)

blog – Transparantie

Zaterdag 28 januari 2012

Transparantie

Wie het woord heeft bedacht, weet ik niet, maar als hij het merkenrechtelijk had gedeponeerd, was hij binnen geweest. Transparantie. Spreek het langzaam uit en je krijgt een vieze smaak in de mond. Van zoveel helderheid ga je zweten.

Transparant betekent eigenlijk “doorzichtig”, maar wordt in een politiek-economische setting vaker vertaald als “zichtbaar”. Het is zo’n tien jaar geleden in zwang gekomen toen een aantal bedrijven de boel onwaarschijnlijk fleste – Enron en Worldcom in de VS, Parmalat in Italië, Ahold en Worldonline in Nederland. Valse cijfers, frauduleuze winstverwachtingen, verstopte brieven, misleidende brochures. Als reactie op dit uit de hand gelopen utopisme van de vrije markt tuigden overheden wetten en regels op die de oermenselijke drift om ten koste van alles en iedereen te winnen moesten beteugelen. In Amerika heette die wet de Sarbanes Oxley Act (vaak liefkozend Sox genoemd), Nederland hield het op een code die werd vernoemd naar een van haar bedenkers, oud-Unilever topman Morris Tabaksblat.

Een van de pijlers van de code-Tabaksblat was het woord “transparantie”. Als klanten, aandeelhouders en toezichthouders nu maar echt wisten wat er gaande was in een onderneming, zou het allemaal wel goed komen. Alles moest zichtbaar worden, de verwachtingen, de cijfers, de bonussen. Alsof van die zichtbaarheid enige beteugeling zou uitgaan.

De kinderboekenschrijver Paul Biegel schreef in 1974 het boek De vloek van Woestewolf dat hetzelfde jaar nog succesvol werd verfilmd als tv-serie. In de serie vertolkte de inmiddels overleden acteur Henk van Ulsen de hoofdrol van dokter Kroch, bij wie op een dag een kist vol goud wordt bezorgd. De brief die bij de kist zit, gooit de dokter ongelezen weg, omdat de afzender ervan, de hertog van Woestewolf, nauwelijks serieus kan worden genomen; hij lijdt namelijk aan goudkoorts.

Als twee struikrovers de kist met goud vervolgens roven, wordt de dokter gealarmeerd en besluit hij op zoek te gaan naar de hertog van wie niemand weet of hij echt bestaat. Desondanks blijft de dokter zoeken, ook al doen zich vreemde zaken voor. Spoken bestaan niet, gelooft Kroch. “Alles is te verklaren met wetenschap”. Totdat hij er achter komt dat het goud van Woestewolf geen gewoon goud is. Je kijkt er dwars doorheen.

De regelgeving over transparante verslaglegging van de bedrijfsvoering beoogde eerlijkheid, bescheidenheid en verantwoordelijkheid. In de praktijk leidde zij vooral tot een vergroting van de bureaucratie (in het jargon corporate governance genoemd) en tot een exponentiële stijging van de bonussen. Toen Jan van bedrijf X er namelijk achter kwam dat Piet van bedrijf Y veel meer verdiende dan hijzelf (en dat stond met zoveel woorden zichtbaar in de financiële verantwoording), drong hij bij zijn raad van commissarissen snel aan op een substantiële verhoging van zijn gage. En anders zou hij wel naar het buitenland gaan waar je je kop met goed fatsoen wel boven het maaiveld mag uitsteken en waar het niet vies is veel te verdienen. Transparantie had zo een prijsopdrijvend in plaats van een nivellerend effect. Met alle gevolgen voor de huidige schuldencrisis van dien.

Het is spijtig dat economische wetenschappers en financiële consultants zo weinig kinderboeken lezen en niet eerder een keer een crèche zijn binnengestapt. Wie een gemiddelde peutergroep bezoekt, krijgt namelijk een glashelder inzicht (transparant!) in wat de mens ten diepste vermag. Twee woordparen horen daar onherroepelijk bij: “van mij” en “ik ook”. Als Tom met de blokken speelt, pakt Marcel ze van hem af. “Van mij!” Als Stacy ziet dat Madeleine een barbie heeft, wil zij er ook één. “Ik ook!” Transparante verslaglegging van deze incidenten zal het gedrag van de kinderen niet veranderen. Een montere leidster die Tom en Marcel samen aan het werk zet, kan dat wel. “De blokken zijn van ons allemaal jongens.” En Madeleine kan haar eigen pop voortaan maar beter thuis laten. Dat geeft rust op de groep.

Transparantie is als het goud van Woestewolf, je kijkt er dwars door heen. Doorzichtige zichtbaarheid is het en daarmee een tegenstelling in zichzelf. Jammer dat er op het World Economic Forum in Davos geen peuterleidsters aanwezig zijn.

blog – Bibliothecaresse

Donderdag 12 januari 2012

Bibliothecaresse

Terwijl ik op duizend meter hoogte in een Gasthof op een alm (dat is een weide) in Oostenrijk lag te slapen, afgesneden van de werkelijkheid door een ongekende sneeuwval die zelfs een tochtje naar het dal vrijwel onmogelijk maakte, droomde ik over Nederland. Ik wist toen nog niets over de reis die Rob Oudkerk had gemaakt naar Hong Kong, ik had zijn analyse over ons visieloze landje nog niet gelezen (de Volkskrant 8 januari 2012) noch het commentaar daarop van Volkskrant-journaliste Sheila Sitalsing. Oudkerk vindt ons slap, een eeuwige tweede, een hyperig, onbeschoft k.u.t. landje dat niet meer weet wat beschaving is. Een land zonder agenda, zonder visie, zonder moed.

Op de Oostenrijkse alm was Hong Kong ver weg, te ver voor mijn verbeelding. Ik droomde alleen maar over het land waar ik ben geboren, maar niet over zijn tulpen of zijn taal, zijn wolkenluchten of zijn dichters. Ik droomde – oh rijkdom van het onvoltooide – over de arbeidsmarktanalyse die het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt eind 2011 publiceerde. Daarin stond dat het helemaal zo slecht nog niet gaat op de arbeidsmarkt in Nederland. Jongeren doen er alleen goed aan niet te kiezen voor een (loop)baan als jurist of journalist. En wat je in elk geval niet meer moet worden in 2012 is bibliothecaresse.

Omdat ik journalist ben, en jurist, is zo’n analyse natuurlijk altijd even slikken. Niet voor niets droomde ik erover. Ik herinner me de tijd dat ik afstudeerde en solliciteerde (nu twintig jaar geleden) nog goed. Honderden brieven, honderden afwijzingen. Mr.drs. en cum laude afgestudeerd met een stage aan de Sorbonne in Parijs, het maakte allemaal niet uit. Jurist en journalist, het was, ook twintig jaar geleden al, een qua arbeidsmarktperspectief hopeloze combinatie.

Het was niet erg. Het is niet erg. Wet en woorden vinden altijd hun weg. Het wordt alleen steeds moeilijker ze te vinden op de plaats die er ooit voor was bedoeld: de bibliotheek.

De bibliotheek was voor mij als kind, als scholier en als student niets minder dan het heilige der heilige. Het was de plaats waar kennis gratis voor het oprapen lag, een schuilplaats voor de zoekenden, een vindplaats voor de onwetenden. En voor wie dreigde te verdrinken in die overvloed van woorden, was er altijd de zwijgende engel achter de balie die vond wat onvindbaar leek: de bibliothecaresse. Alwetend, overtuigend en bescheiden wist zij geheimen te openbaren en leerde zij honderden, duizenden kinderen niet alleen hoe zij antwoorden konden vinden op hun vragen, maar ook hoe zij nieuwe vragen konden stellen. Een bron van eeuwige jeugd was zij, een verlangen naar weten en nog meer weten. Zij was de toekomst zelf, al was zij soms op leeftijd.

Zou het die alwetende bescheidenheid zijn die haar nu wordt verweten? Want de bibliothecaresse heeft in Nederland haar langste tijd gehad. Nederland wil geen denkers meer, maar doeners. Nederland wil geen lezers meer, maar ondernemers. Geen gratis kennis, geen stilte tussen de regels. Nederland wil niet zoeken, maar vinden, geen vragen, maar antwoorden. Hup, handen uit de mouwen en neuzen uit het boek. Dat doen ze in China immers ook, neuzen uit boeken halen. Dat heet censuur.

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham schreef in 1998 een boek waarmee hij de Pulitzer Prize won. Het heet The Hours en het gaat over drie vrouwen in drie verschillende tijdsgewrichten die van woorden leven en daarmee hun leven vormgeven. Eén van de vrouwen is gemodelleerd naar het voorbeeld van de schrijfster Virginia Woolf, de ander is een redactrice van een uitgeverij. De derde vrouw verlaat in de jaren vijftig haar jonge gezin in de VS en wordt bibliothecaresse in Toronto. Ze kiest niet voor een groot en wild meeslepend leven in een ondernemende wereldstad als Hong Kong, maar verdwijnt tussen de schappen in een haar onbekende stad. Het boek van Cunningham werd in 2002 verfilmd. Nicole Kidman won een Oscar voor de beste vrouwelijke hoofdrol. Zij speelde Virginia Woolf.

In mijn droom vloeide de arbeidsmarktanalyse van het ROA langzaam over in de uren van Cunningham, onwerkelijk als de metershoge sneeuw voor het raam. Zwetend werd ik wakker in het besef dat ik leef in een land dat de bibliothecaresse wegbezuinigt ten gunste van asfalt. Geen woorden maar wegen. Volgens mij noemen ze dat in Hong Kong visionair.

blog – De voorbije tijd

Zondag 1 januari 2012

De voorbije tijd

El naufragio de los hombres, vertaald in het Engels als the Wreck of Men is een video-object van de Argentijnse kunstenaar Charly Nijensohn. Het bestaat uit een drieluik van filmbeelden waarop eenzame menselijke vormen in een adembene-

mend, desolaat landschap figureren. Nijensohn maakte de opnamen op een zout-

vlakte in Bolivia waar armoede en commerciële zoutwinning het voortbestaan van de plaatselijke bevolking, de Aymara, bedreigen. Naufragio is letterlijk vertaald wrak, maar het Engelse “wreck” kan ook schipbreuk of ondergang betekenen. Zo zal Nijensohn het hebben bedoeld. Wie naar de beelden kijkt (en dat kan nog tot 15 januari in het Kröller-Müller museum) bekruipt het gevoel van een nederlaag. De figuranten in de installatie, allemaal Aymara, zijn niets meer dan schaduwen die slechts herinneren aan wat mensen moeten zijn geweest. Als kruizen staan zij stil in het landschap, geteisterd door slagregens en windvlagen. Wolken razen langs de hemel, zon en zout kleuren de grond, maar de mens blijft gezichtsloos als een leeg object, een symbool van tergende eenzaamheid en, inderdaad, verval. Op den duur, zo suggereren de beelden, zullen de figuren verweren in het veld. Gegeseld door de elementen zullen zij vergaan tot het zout waarop zij staan. Wat de mens vernietigt, zal de mens vernietigen. Totdat de aarde weer woest en ledig zal zijn, zoals het ooit begon.

De Aymara, een bevolkingsgroep van zo’n twee miljoen mensen, spreken een taal waarin de verleden tijd wordt gepresenteerd als iets wat voor ons ligt in plaats van achter ons. Zoals kinderen de verleden tijd soms gebruiken om aan te duiden wat zij van plan zijn te gaan doen – “en dan was jij de juffrouw en ik het kind en dan stuurde jij mij weg” – zo formuleren de Aymara hun verleden als hun toekomst, de voorbije tijd als hun toekomende. Misschien dat wij op een soortgelijke manier het voorbije jaar 2011 kunnen vertalen in het komende jaar 2012. Het jaar waarin zo veel wat van waarde is schipbreuk leed – de kunsten, de geestelijke gezondheidszorg, het vertrouwen in de rechtspraak – verdient het opnieuw te worden geleefd, als constructie van verlangen naar iets dat niet alleen wordt afgebroken, maar ook wordt opgebouwd, niet alleen vergaat, maar ook vrucht draagt. Met het in beeld brengen van het verval van de zoutvlakten in Bolivia en het volk dat daar woont, heeft Nijensohn pijnlijk prachtig laten zien hoe noodzakelijk het is ons te blijven snijden aan schoonheid. Want dat is wat kunst doet. Schipbreuk leiden. Moge 2012 dat lijden verlichten.

blog – Wilszwakte

Maandag 10 oktober 2011

Wilszwakte

Op zoek naar mogelijkheden om de steeds maar groeiende kosten van de gezondheidszorg te beheersen, opperen beleidsmakers en verzekeraars steeds vaker om rokers, drinkers en eters meer premie te laten betalen. Zij die genetisch zijn belast met een gezondheidsprobleem mogen rekenen op enige solidariteit van de premie betalende massa, maar zij die zich bewust en vermijdbaar overgeven aan evident schadelijke activiteiten als roken, drinken of (teveel) eten, mogen anderen niet op laten draaien voor hun zelfdestructieve gedrag. De samenleving zou deze “rokers en gulzigaards” hoogstens één keer een traject “psychische begeleiding tegen wilszwakte” kunnen aanbieden, zoals een brievenschrijver in de Volkskrant woensdag 5 oktober voorstelde. En voor de rest betaalt de vervuiler, ook als hij niemand anders vervuilt dan zichzelf.

Sinds we weten dat ons brein plastisch is en wij ons brein zijn, wordt meer dan ooit de suggestie gewekt als zouden mensen altijd in staat zijn het geluk in hun voordeel te keren. Ondanks dat wetenschappelijk al lang is vastgesteld dat verslaving net als borstkanker of schizofrenie een sterk genetische component heeft en dus weinig met wilszwakte heeft te maken, blijven mensen maar geloven dat wie echt wil alles kan. Dat is een schromelijke overschatting van het menselijke vermogen, vrees ik. Wilskracht helpt bij het halen van bepaalde doelen, maar verblindt evenzeer. Zij die uit zijn op hun eigen succes verliezen even zo vaak de ander uit het oog. En dat terwijl de mens bij uitstek een sociaal wezen is. Zonder anderen verpieteren we allemaal.

Minister Schippers van Volksgezondheid zei dit weekend in NRC Handelsblad dat ze geen levensstijlpolitie wil. Dat pleit voor haar. Tegelijk bezuinigt deze minister miljoenen op de GGZ. Die psychische begeleiding tegen wilszwakte zit er dus sowieso niet meer in. Wat rest is de acceptatie dat er ziekten zijn waarmee wij, als individu en als samenleving, zullen moeten leren leven. Financieel én emotioneel. De werkelijkheid zit vol blauwe plekken en die moeten we niet verdoezelen, maar verzorgen. Niet uitsluiten, maar insluiten.

blog – Uitverkoop

Zondag 3 juli 2011

Uitverkoop

Alsof alles van waarde in de uitverkoop stond deze week. Op maandag waren het de musici en acteurs die na een Mars van Beschaving het Binnenhof bereikten en tevergeefs lieten horen en zien dat ze toch echt de moeite waard zijn. Staatssecretaris Halbe Zijlstra was er niet gevoelig voor en zette de boel in de etalage. Die voorraden aan cultuur moeten nodig verramsjt.

Op woensdag waren het de patiënten van de geestelijke gezondheidszorg. Hoewel zij en hun hulpverleners uit de GGZ veel minder publicitaire aandacht trokken – een schizofreen doet het beeldtechnisch toch minder dan, pak ‘m beet, Halina Reijn – stonden ook zij manmoedig te verkleumen op het Malieveld. Minister Schippers nam een petitie aan waarop meer dan 40.000 handtekeningen stonden, maar ze had de kortingsbonnen voor de dolle dwaze dagen al verstuurd. Donderdag loodste zij probleemloos haar plannen langs de liberale lolbroeken en rancuneuze rakkers van het kabinet waardoor de zotten en zinnelozen van deze wereld voortaan zelf een deel van hun behandeling mogen betalen. “Vogel het zelf maar uit”, staat op het reclamebord dat boven de ballenbak van de bezuinigingen hangt. “Iedereen ondernemer”.

Op vrijdag ten slotte volgde het nieuws dat de Nederlandse literaire uitgeverijen in zulk zwaar weer zitten dat de Arbeiderspers is genoodzaakt samen te gaan met A.W. Bruna dat van oudsher een sterkere commerciële positie heeft. Dat komt vooral door bestseller kanonnen als Stieg Larsson, John Grisham en Suzanne Vermeer. In een tijd waarin veiligheid vóór justitie komt en wraak belangrijker is dan vergeving, verkopen bloeddorstige fantasieën over verkrachting, moord, afpersing en mishandeling nu eenmaal beter dan gedichten over de herfst en de dood van een geliefde.

In een wanhopige poging grip te krijgen op het gevoel van nutteloosheid dat mij deze week bekroop, herlas ik de gedichten van Lucebert. Zijn beroemde dichtregel “Alles van waarde is weerloos” prijkt al sinds 1979 in neonletters op een kantoorflat waarin een verzekeringsmaatschappij is gevestigd. Zo nieuw is het streven naar cultureel ondernemerschap dus niet. Hoe hard de maatregelen van dit rancunekabinet de schoonheid en de troost ook treffen, hoe luid de investment bankers en consultants straks ook het Nederlandse lied op Radio 2 zullen meebrullen, er zullen altijd weer dichters op staan, nuttelozen die woorden zoeken voor wat er is en wat er is geweest.

Door alle eeuwen heen zijn machthebbers bang geweest voor wat zij niet kunnen beheersen; gekte en gedichten. Laten we elkaar daarom fluisterend voorlezen in de holte van de nacht. Laten we niet oordelen, maar meedelen, laten we blijven schrijven en zingen over wat wij zien en horen, ruiken en voelen, en laat ons nooit vergeten dat verbittering hoop verstikt.

de zoeker naar de aard van een gedicht en

van des gedichts dichter

hij zal doof zijn voor het ijlingse

loven en laken van modejager & modeverguizer

de dichter hij eet de tijd op

de beleefde tijd

de toekomende tijd

hij oordeelt niet maar deelt mede

van dat waarvan hij deelgenoot is

mijn gedichten zijn gevormd

door mijn gehoor

en door de bewondering voor

en de verwantschap met

friedrich hölderlin & hans arp

de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij

daarom de proefondervindelijke poëzie is een zee

aan de mond van al die rivieren

die wij eens namen gaven als

dada (dat geen naam is)

en

daar dan zij wij damp

niemand meer rubriceert

Lucebert

Verzamelde gedichten (2002)

blog – Winterreis

Woensdag 18 mei 2011

Winterreis

Op 31 januari 1797 werd Franz Schubert geboren. Zijn vader, een onderwijzer, had negentien kinderen uit twee huwelijken. Frans was het op één na jongste kind uit de eerste verbintenis. Negen van de veertien kinderen uit dat huwelijk stierven op jonge leeftijd. Ook Franz. Althans, hij stierf op jonge leeftijd volgens onze hedentijdse begrippen, in 1828. Hij was toen 31 jaar oud. Jong, zeggen wij nu. Veel te jong, vond ook de dichter die zijn grafschrift schreef. Op Schuberts tombe in Wenen staat namelijk: Die Tonkunst begrab hier einen reichen Besitz aber noch viel schoenere Hoffnungen. Een rijk bezit voor de muziek waarin nog zoveel belofte school, dat was Schubert. Hij stierf straatarm en teerde zijn korte volwassen leeftijd voornamelijk op (rijkere) vrienden die zijn talent herkenden. Zijn nagelaten bekentenis over wat het leven is, of zou moeten zijn, bestaat uit 988 muzikale werken, waaronder acht symfonieën, vijftien strijkkwartetten, drie pianotrio’s en 567 liederen met pianobegeleiding. Winterreise is een van de bekendste liederencycli die Schubert componeerde, vlak voor zijn dood. Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh’ ich wieder aus luiden de eerste zinnen van de cyclus. Ik ben als een vreemde binnengetreden en als een vreemde zal ik weer gaan. Zo moet Dominique Strauss-Kahn zich voelen in de gevangenis van Rikers Island. Een vreemde.

DSK is de van aanranding beschuldigde topman van het IMF en de gedoodverfde opvolger van de Franse president Sarkozy. Hij is nu twee keer zo oud als Schubert was toen die zijn laatste adem uitblies. De staat van dienst van DSK is indrukwekkend. Althans, volgens onze hedentijdse begrippen. Strauss-Kahn zetelde sinds 1986 in het Franse parlement, was minister van, onder andere, Financiën, hoogleraar, een “briljant” econoom en de mogelijke redding van Frankrijk tegen het donkere gevaar dat de blonde Marine Le Pen zo opgewekt verdoezelt. Het kamermeisje dat DSK ongewenst zou hebben bejegend, is van Afrikaanse afkomst, lees ik op internet. Wat zou hij hebben gedaan als hij Marine toevallig in de douche was tegengekomen? Zou hij zijn schaamte hebben bedekt of haar net zo stoutmoedig hebben vastgegrepen als de immigrante?

Franz Schubert had één grote liefde, Therese Grob. Zij was niet mooi, zeggen historici, maar zij inspireerde Franz ondertussen wel tot het schrijven van zeker 144 liederen. Hij kon financieel niet voor haar zorgen en daarom trouwde Therese, al dan niet onder druk van haar ouders, een ander. Volgens de overlevering zocht Schubert vervolgens troost bij prostituées die hem opscheepten met syfilis waaraan hij uiteindelijk, naar alle waarschijnlijkheid, ook is overleden.

Hoewel DSK financieel niets te klagen heeft en tot nu toe drie echtgenotes kon onderhouden, lijkt hem hetzelfde lot beschoren als de jonge componist. Ook Strauss-Kahn dreigt ten onder te gaan aan troosteloze lust. Daarmee houdt de vergelijking overigens meteen op. Terwijl de Fransen nog fulmineren tegen het Amerikaanse rechtssysteem waarin iemand door de heilige openbaarheid al schuldig is bevonden voordat een flinter bewijs is geleverd, betreurt DSK ongetwijfeld zijn onvermogen één grote liefde te koesteren. Eén muze die hem voor de geschiedenis had kunnen behouden, zoals Therese Grob dat deed voor Schubert.

Strauss-Kahn had Europese geschiedenis kunnen schrijven. Twee keer zelfs. Eén keer als redder van Griekenland en daarmee van de euro en de monetaire unie, één keer als redder van Frankrijk tegen de onderbuik van Marine Le Pen. In plaats daarvan wordt hij ervan verdacht zijn eigen onderbuik niet in bedwang te hebben.

Winterreise wordt over het algemeen gezien als een muzikale metafoor van menselijke eenzaamheid, een individuele zoektocht naar de kern van het bestaan. Ik moet denken aan het derde couplet van het het eerste lied van Schuberts beroemde cyclus. Strauss-Kahn zal zich in die woorden kunnen herkennen. Alleen weet over tweehonderd jaar niemand meer wie hij was.

Was soll ich länger weilen,    

daß man mich trieb’ hinaus?    

Laß irre Hunde heulen    

vor ihres Herren Haus!     

Die Liebe liebt das Wandern,

Gott hat sie so gemacht –      

von einem zu dem andern-

fein Liebchen, gute Nacht!

Ik moet ervoor bedanken

te worden weggejaagd.

Als dolle honden janken,

weet ik mij al belaagd.

De liefde houdt van zwerven,

God heeft dat zo bedacht,

net als het moeten sterven.

Ja, liefje, goedenacht!

(vertaling Frederik Menning)

blog – De schoonheid van rouw

Vrijdag 18 maart 2011

De schoonheid van rouw

Het is dat de winnaars van de World Press Photo al bekend zijn, anders hadden de fotografen van AP en Reuters die momenteel in Japan aan het werk zijn een goede kans gemaakt. Alle foto’s uit het rampgebied schrijnen. De oprukkende vloedgolf, de meedogenloze chaos van steen en staal, de overlevenden die op een schoolplein in Sendai in een lange rij volkomen beheerst wachten op drinkwater, de hand van een dode man uit de stad Toyoma. Mijn oog haakte aan de foto van een jonge vrouw die met opgetrokken blote benen tussen het puin in de voorstad Natori zit. Haar donkerrode rubber laarzen staan naast haar, besmeurd met modder. Ze huilt. Het is oorverdovend verdriet.

Niemand vraagt zich hardop af of wij getuigen mogen zijn van deze rouw. Hoewel er ongetwijfeld mensen zullen zijn die hun blik afwenden bij het zien van zoveel ellende, accepteren de meeste van ons de beelden als nieuws. Nieuws is wat mensen ten diepste beweegt en dat is zelden leuk. Nieuws is de siddering in de rechtszaal waar gisteren de pro forma zitting in de zaak Robert M. plaatsvond. Nieuws is het vliegverbod boven Libië. Nieuws is de rouw van Japan.

In de rechtszaal mocht gisteren niet worden gefotografeerd. Wel was er een tekenaar aanwezig die M., zijn advocaten en beide officieren van Justitie in beeld bracht. De tekening deed waarvoor ze was bedoeld: ze illustreerde een verhaal in de krant. Ze veroorzaakte geen siddering, geen afschuw, geen haat. Foto’s doen dat wel. Foto’s kunnen door je huid heen branden. Diep van binnen vreet bij ons namelijk een verlangen om te zien wat wij niet willen zien. Onze ogen blijven langer kleven aan de eenzame vrouw in Natori dan aan het lieflijke ijsbeertje in Blijdorp. Dat is journalisten niet te verwijten.

Soms is de emotie die mensen ervaren bij het zien van een nieuwsfoto zo groot dat zij proberen het beeld van hun netvlies te wissen. Dat doen ze vaak met een beroep op de ethiek, de moraal en zo nodig de wet. Een van de meest sprekende voorbeelden is de foto van het Soedanese meisje dat, hol van de honger, op haar hurken knielt terwijl een gier zichtbaar op haar dood wacht. De Zuid Afrikaanse Kevin Carter won er in 1994 de Pulitzer price mee. De morele verwijten aan zijn adres waren vervolgens zo overweldigend dat de fotograaf zichzelf maanden later van het leven beroofde. Carter liet zien wat wij niet willen zien. Mogen we hem dat verwijten? Ik vind van niet. Het debat over wat wel en niet journalistiek toelaatbaar is moet zich niet beperken tot de morele verantwoordelijkheid van journalisten en fotografen zelf. Het geweten van de lezer en de kijker is minstens zo bepalend voor wat nieuws wordt genoemd. En dat is zelden leuk.

Ik kan uren naar de foto van het Soedanese meisje kijken. Net als naar de foto van de Japanse vrouw en haar rubberlaarzen. Beelden die pijn doen en tegelijkertijd prachtig zijn. Dat is wat nieuwsfotografie kan doen: raken aan de schoonheid van rouw.

Ik ben blij dat er gisteren geen fotograaf in de rechtszaal zat.

blog – De sokkenwinkel van Joost van den Vondel

Dinsdag 8 maart 2011

100 jaar Internationale Vrouwendag

De sokkenwinkel van Joost van den Vondel

‘Welk aangeleerd gedrag heb jij doorbroken om jouw top te bereiken?’ Met deze vraag opende prinses Máxima het Women Inc. Festival afgelopen weekend in Amsterdam. Een opmaat tot Internationale Vrouwendag die vandaag voor de honderdste keer wordt gevierd. Journalisten in dag- en weekbladen maken de balans op. Wie is een topvrouw, wie is een (s)topvrouw (het woordgrapje is niet van mij). Vrij Nederland heeft eurocommissaris Neelie Kroes op de cover staan.Trouw interviewt Margriet van der Linde van Opzij. Ze hebben alle twee een hekel aan de verwende prinsesjes waarover journaliste Elma Drayer vorig jaar een boek schreef. Hun beider moeders werkten niet.

Toen ik het artikel over mevrouw Kroes las in VN (nummer 09, 5 maart 2011) bleef ik lang kijken naar een foto uit 1986 van de opening van de Oosterscheldedam. In het midden staat een in blauw gehulde koningin Beatrix, rechts naast haar staat een in cyclaam gehulde Neelie. Beatrix heft speels vermanend haar vinger, Neelie glimlacht bescheiden en spottend tegelijk. Al hun twintig nagels zijn zichtbaar rood gelakt. Met uitzondering van die nagels lijkt Neelie Kroes op die foto beangstigend veel op mijn moeder. Hetzelfde haar, diezelfde blik. En aangezien mijn moeder in de jaren zeventig hetzelfde kapsel had als Beatrix (elke zaterdagochtend wassen en watergolven) en ik haar ook een beetje als de koningin beschouwde (mijn moeder was een carrièrevrouw en werkte fulltime tot haar zeventigste), leverde de foto een persoonlijk dubbelportret op van wat ik altijd heb (aan)geleerd over vrouwelijke ambitie. Werk. Woeker met je talent. Wees economisch zelfstandig.

Dat gedrag heb ik vorig jaar doorbroken om de zogenaamde top te behalen. In mijn vak is dat het schrijven van een boek. Het verscheen in januari en gaat over de chronische psychiatrie. Niemand heeft om dat boek gevraagd, niemand heeft ervoor betaald. Ik heb jarenlang flutfolders en nonsense-nieuwsbrieven volgeschreven waarmee ik goed verdiende en die inmiddels allemaal bij het grof vuil staan. Drie weken na de bevalling van mijn tweede kind leverde ik de content van een website die al lang weer uit de lucht is. Volstrekt nutteloze arbeid in een van markt bezeten samenleving die mij economisch zelfstandig maakte en mij in staat stelde een oppas te betalen, veel schoenen (en boeken) te kopen, mijn kinderen op dure zomerkampen te laten gaan en elke maand mijn nagels te laten lakken. Een verwend prinsesje, inderdaad.

Nu ben ik economisch afhankelijk van mijn man. Als hij mij morgen verlaat, moet ik overmorgen het huis uit. Ik heb geen arbeidsongeschiktheidsverzekering en geen pensioen. Dat is namelijk verdampt dankzij Fortis en zit voor de rest in dat boek. Ben ik gelukkiger dan ik was toen ik nog geen (s)top- of zigzag- of een gemiste kansvrouw was? Nee. Aangeleerd gedrag is namelijk heel moeilijk af te leren. Maar laten we wel zijn, we kunnen niet allemaal koningin worden (denk aan Mabel, maar ook aan prins Charles). Dus ben ik weer naarstig op zoek naar opdrachtgevers die mij voor een flutfolder of iets anders onzinnigs willen belonen. Ik mag dan op de top van de piramide van Maslow staan, het geld is op. Ik heb één troost. Joost van den Vondel had een sokkenwinkel op de Warmoesstraat die hij van zijn vader had overgenomen. Hij stierf in bittere armoede. Maar de mooiste plekken in Amsterdam zijn naar hem vernoemd.

blog – Een pennenstrijd tegen het eigen gelijk

Zondag 27 februari 2011

Een pennenstrijd tegen het eigen gelijk

Psychiater Frank Koerselman vindt dat we teveel klagen, te ijdel zijn en doorslaan in onze behoefte aan waardering (de Volkskrant, het Vervolg, zaterdag 26 februari 2011). ‘Al dat twitteren en bloggen: alsof het er iets toe doet wat jij vindt’, zegt hij.

Het was die zin die mij overtuigde. Omdat niets er toe doet. Niemand vraagt om woorden. Het schrijven van een blog is net zo zinloos als het voortstuwen van een rots tegen een berg. Zinloos, maar niet waardeloos. Dat is de kern van Albert Camus’ Mythe van Sisyfus. Het gaat niet om de top, maar om de strijd.

De behoefte aan verhalen is grenzeloos, maar het verlangen ernaar wordt in toenemende mate beloond met meningen. In dat opzicht heeft Koerselman gelijk. Schrijvers zijn columnisten geworden. Dat is niet het doel dat ik nastreef met dit blog. Als er één reden is waarom ik journalist ben geworden, is het wel dat ik geen idee heb. Ik begrijp het niet. Ik begrijp het recht niet waarover ik al vijftien jaar publiceer en dat zelden gerechtigheid belooft. Ik begrijp niet dat mensen oprecht denken dat ze het geluk zelf kunnen afdwingen, terwijl zoveel mensen gek worden van een verdriet dat zij niet hebben gekozen. Ik begrijp het blinde vertrouwen in zelfredzaamheid niet, noch het geloof van miljoenen in de kracht van iets dat God heet. Het zijn enkele van de thema’s die in dit blog terug zullen komen. Gerechtigheid, geluk, gekte en God. Maar ook het vertrouwen in de rechtsstaat, het nut van straffen, de grenzen tussen non-fictie en fictie en de ethische mores van de journalistiek.

Het schrijven van een blog is voor mij meer dan een narcistische behoeftebevrediging, wat Koerselman daarvan ook mag denken. Schrijven is strijden. Een gedisciplineerd wanhoopsoffensief. Het bijhouden van een blog is in dat opzicht een strenge opdracht gedachten te ordenen tot zinnen. Dat daardoor ook de persoon van de schrijver in zich komt, is onvermijdelijk voor wie, als ik, gelooft dat vorm en vrouw één zijn. Dat is geen originele gedachte. De polemist Menno ter Braak betoogde in de jaren dertig van de vorige eeuw al: ‘Mijn ik is een vorm van polemiek, evenals mijn schrijven’. Het is het motto van dit blog.

Het komende jaar zal ik wekelijks een virtuele pennenstrijd voeren. Een pennenstrijd tegen het eigen gelijk. Wij moeten ons Sisyfus namelijk als gelukkig voorstellen.