2018

blog-week 39

De nullijn

Week 39

In de druilerige herfstregen die mild neerdaalde op de bijna kale bomen, bezochten onze oudste dochter en ik gisteren de graven van haar grootouders. Mijn ouders liggen begraven in Arnhem waar we in 1980 kwamen wonen en waar ik mijn middelbare school doorliep. De stad waar ik voor de eerste keer alcohol dronk en voor de eerste keer zoende. Ik ontmoette er vrienden van wie er twee nog steeds bij mijn leven horen en met wie ik de laatste tijd zelfs weer intensiever en dierbaar contact heb. Vrienden met wie ik al bijna veertig jaar mijn leven deel; we gingen bij elkaar op kraambezoek en waren erbij toen ouders, een vriend en ook een kind ten grave werden gedragen.
Boven op het graf van mijn ouders staat een persoonlijke variatie op een zin uit het lievelingsliedje van mijn moeder, Le Métèque van de Franse chansonnier George Moustaki. Je verrai chaque jour une eternite d’amour wat zoveel wil zeggen als: Ik zal elke dag een eeuwigheid van liefde zien. Aan de voet van de grafsteen staat een citaat dat bij mijn vader hoort: Geborgen in de geschiedenis.
Vijftien kilometer verderop liggen mijn schoonouders begraven. Mijn schoonmoeder overleefde haar man en grote liefde bijna twintig jaar en verzorgde elke week zijn graf. Onze dochter draagt er warme herinneringen aan, hoe zij met oma naar het graf van opa ging, een opa die zij nooit heeft gekend. Ook nu bleken er bloeiende viooltjes op het graf te staan en lag er een verse krans met bloemen. Onze dochter schoot er vol van. Dat er iemand is die de doden verzorgt, tot op de dag van vandaag. Bloemen en andere producten van het land waren belangrijk in het leven van mijn schoonouders. Mijn schoonvader was landbouwkundig ingenieur en kwam uit een geslacht van aardappelboeren. Hij had “een landje”, een volkstuintje in de buurt. Er stonden altijd verse bloemen op tafel. Niet voor niets staat op hun graf een citaat uit het gedicht De ploeger van Ronald Holst: Maar doe mij in de oogst geloven.
Staand op de nullijn van mijn leven, heb ik dit jaar ervaren wat het betekent mens te zijn, en alleen. Dat alles wat je hebt gedaan nog niet maakt wie je bent. Dat bestaanszekerheid in de zin van relatie en werk kwetsbaar zijn en feilbaar. De duizenden woorden die ik heb geschreven en die in druk zijn verschenen, zijn als het kaf en verwaaien met de wind. Wat blijft is de eeuwigheid van liefde en mij geborgen te weten in de geschiedenis.

 

blog-week 38

De nullijn

Week 38

Op de hoek van het Janskerkhof in Utrecht is in een mooi oud pand boekhandel Bijleveld gevestigd. De zaak adverteert trots dat ze al 150 jaar bestaat. Sinds 1865. Onlangs kwam ik er voor het eerst, wachtend op een dochter die in de stad studeert. Binnen overviel me het kinderlijke gevoel van opwinding dat ik 45 jaar geleden had toen ik voor het eerst met mijn vader een boekhandel binnenstapte. Boekhandel Hilarius in Almelo, destijds ook gevestigd op een hoek, namelijk van de Grote Straat.
Het was een zaterdagmiddag. We hadden boodschappen gedaan op de markt, zoals elke zaterdag. Verse vis, gebrande noten, een stuk wild, groente, fruit. Bloemen ook. Ondertussen bracht de exploitant van de VIVO de wekelijkse boodschappen thuis langs. Enorme hoeveelheden moeten het zijn geweest, voor een gezin met zes kinderen. Nadat alles was ingeruimd, zei mijn vader dat hij nog even de stad in ging. Of ik meewilde. Ik zal een jaar of zes, zeven zijn geweest. Ik kon net lezen.
Zoals het destijds rook, zo rook het ook dit keer. De geur van boeken. Zoals het in Almelo klonk, zo klonk het ook in Utrecht: die serene stilte van hoge kasten vol woorden, zwanger van weten, de verhalen die erachter schuilgaan.
Bijna nergens heb ik mij zo veilig gevoeld als aan de hand van mijn vader in boekhandel Hilarius. Omarmd door duizend werelden, en dat alles in een winkel vol papier. Bij Bijleveld stond in de kast met poëzie de bundel Waarvan akte van onze vriend Onno Kosters. Een van zijn gedichten heet ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’ en eindigt met de woorden:

Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht.

Ontkomen is de hellehond.

Dat dit toch ooit verdwijnen zal, de boekhandel, de poëzie, het veilige der veiligen.
Ik hoop het niet meer mee te maken.

blog-week 37

De nullijn

Week 37

Rauw. Het is het woord dat mij als eerste te binnen schiet als ik door de straten van Berlijn loop. Graffiti markeert vrijwel alle gebouwen. Leuzen uit mijn jeugd sieren gekraakte panden. Kapitalismus zerstört, tötet. Zwangsräumungen verhindern.
Het was 1985 toen ik in Amsterdam kwam wonen. De grote krakersrellen – de ontruiming van de Groote Keijser, de Vondelstraat en de Lucky Luyk – waren verleden tijd, maar de stad straalde nog steeds de van toekomst gespeende droefheid uit die de jaren tachtig zo typeerde. De eerste film die ik als student zag – Novecento – draaide in filmhuis Cavia, dat in de Staatsliedenbuurt lag. Het was een no go area: vervallen huizen, krakerscafés, drugspanden. Ik was de somberheid gewend. Mijn middelbare school bracht ik deels door te midden van in het zwart gestoken punkers die naar Joy Division luisterden en ratten op hun leren jassen dan wel levend op hun schouders droegen. Wat je studeerde, maakte niet uit, want je werd toch werkloos. Nog altijd sluimerde er oorlog in het Oosten. Prenzlauerberg was een verpauperde wijk in de DDR. De muur die de Duitse stad doorkliefde, stond nog stevig overeind.
Lopend door de inmiddels überhippe buurt ten Noorden van het stadscentrum, krijgen mijn herinneringen weer de vorm van ervaringen. Meisjes met neuspiercings en blauwhaar doen mij denken aan mijn vriendin Janine, met wie ik na het eindexamen naar Parijs ging en die ik met haar hanenkam fotografeerde tegen een wand vol straatkunst. De enige verschillen met toen zijn de telefoons die iedereen tegen zijn oor drukt en de rolkoffers die het ritme van het straatlawaai dicteren.
Ik bezoek Berlijn met twee meisjes die beiden geboren zijn in de eerste jaren van het nieuwe millennium. We kijken in de motregen naar de Rijksdag die in 1933 in brand vloog. We bezoeken de nieuwe synagoge aan de Oranienburgerstraße, die in 1938 ten prooi viel aan de plunderaars van de Kristallnacht. We dwalen door het Holocaustmonument waarvan sommige betonblokken scheuren beginnen te vertonen. We lopen onder de Brandenburger Tor, fotograferen de chaotische taferelen bij Checkpoint Charlie, staren naar het niemandsland en het stuk muur dat aan de Bernauerstraße is behouden.
Hoe zullen deze meisjes over dertig jaar zich hun jeugd herinneren, de straten van hun stad, de politieke realiteit van nepnieuws, terroristische aanslagen en, nog altijd, oorlog? Wonen en werken zij tegen die tijd in een virtuele werkelijkheid die wordt gedicteerd door kunstmatige intelligentie of zullen zij nog altijd lijden en liefhebben, zoals ik dat doe? Zal ik het zelf nog meemaken, over dertig jaar? Wonderlijke vragen. Wonderlijke wereld.

blog-week 36

De nullijn

Week 36

Aan de muur van een bevriende journalist hangt een foto van Wim Kok. De staatsman heeft een zonnebril op, hij zit voorovergebogen en drukt zijn grote handen tegen zijn gegroefde gezicht. Dit is de onmacht van de macht. Het is 1995, de Bosnische enclave Srebrenica is gevallen. Onder het toeziend oog van Nederlandse militairen worden duizenden moslimmannen afgevoerd en omgebracht door Bosnisch-Servische milities. Het is Koks grootste wond in zijn lange politiek-bestuurlijke loopbaan.
Vraag jongvolwassenen van ongeveer twintig jaar oud op straat wat Srebrenica is, en zij zullen je verbaasd aankijken. De naam Dutchbat zal de meesten weinig zeggen. Wim Kok doet misschien nog net een bel rinkelen, maar vooral omdat dit weekend de actualiteitenprogramma’s op radio, televisie en online media de naam nogal eens noemden. Wim Kok, oud-premier, vader van Nederland, is dood. Dat is nieuws.
In 1992, net nadat ik was afgestudeerd, werkte ik als vrijwilliger bij de Amsterdamse Studenten Radio. Wekelijks maakte ik nieuwsberichten en las ze voor, elk uur net wat anders, zodat het voor de luisteraar en de lezer een beetje afwisselend bleef. Het grootste nieuws uit die tijd was de uitbraak van de burgeroorlog in Bosnië. Niet eerder had ik van dat land gehoord. In de jaren zeventig was ik op vakantie geweest in wat destijds Joegoslavië heette, ik leerde er zwemmen. Daar is nog een vaag super 8mm filmpje van: mijn vader die naast mij zwemt naar een houten platform dat in het water drijft. Op de achtergrond is een hotel te zien, dat de hoekige vormen heeft van het socialistische ideaal dat iedereen gelijk is en alle mensen broeders.
Al nieuwslezend leerde ik nieuwe steden kennen. Sarajevo. Mostar. Tuzla. Srebrenica. Maar dat was drie jaar later. Toen was ik al lang weer met wat anders bezig.
Want zo ziet oorlog eruit. Terwijl de levens van duizenden mensen worden verwoest, en de onmacht van de macht zijn gegroefde gezicht toont, zetten mensen hun vuilnis buiten, streven ze naar een betere baan, hopen ze te trouwen, verzetten ze zich tegen een scheiding, kopen een jurk die ze niet nodig hebben en vergeten de namen die ooit nieuws waren.
De afgelopen tijd keek ik naar The Vietnam War, een hallucinerend mooie documentaire die op Netflix is te zien. In de serie worden onder andere geluidsfragmenten gebruikt van gesprekken die hoofdrolspelers als president Johnson en Nixon voerden. Het cynisme ervan is adembenemend. Zo’n serie zou ook over de naoorlogse “politionele acties” in Indië gemaakt moeten worden. En over de oorlog in Bosnië. Misschien hoor ik dan mijn eigen stem weer, zorgvuldig articulerend de namen noemend van al die verwoeste steden. Misschien dat er een geluidsfragment van Wim Kok opduikt waarin hij duidelijk hoorbaar zegt: stoppen, nu! Misschien dat er een filmpje opduikt van een kind dat leert zwemmen in de rivier Pliva. Kijk eens papa! Losse handen.

blog-week 35

De nullijn

Week 35

Wat de zin is? De vraag is actueel, getuige de producties en publicaties van de laatste tijd. In de zomer nam Coen Verbraak een kijkje in de ziel van geestelijk leiders. In de Volkskrant interviewt journalist Fokke Obbema momenteel mensen die er misschien iets over te zeggen hebben, over de zin. De zin van elke dag opstaan, je verhouden tot andere mensen, zorgen en strijden en alles in de hoop dat het ergens goed voor is. Of althans in het besef dát het is, dit leven. En hoe dat te doen, in liefde en vertrouwen of in angst en twijfel.
Mijn social media accounts stellen niets voor als het om aantallen gaat, maar ik koester de mensen die ik volg; dezer dagen posten veel van mijn connecties foto’s van opgaande en ondergaande zonnen, de hemel die oranje kleurt, de indian summer van 2018. De natuur is blijkbaar voor veel mensen waarmee ik – op welke manier dan ook – ben verbonden een bron van zin. De natuur die troost, omdat het zo onbegrijpelijk is dat die zon weer opkomt, terwijl jij je zo rot voelt dat je het liefst nooit meer zou opstaan. Houdt de zin van het leven op als je niet meer de schoonheid van de roosvingerige dageraad herkent? Als je niet meer met je kinderen kan praten, of met je ouders, omdat de taal tussen jullie alle betekenis lijkt te hebben verloren? Is er nog zin als je het gevoel hebt dat de liefde vergaat? Elke Geurts schreef er een mooi boek over. Toch staat ze elke dag weer op.
Met mijn broer sprak ik deze zondag over de schepping. Beiden zijn we een keer in Afrika op safari geweest en beiden vonden dat een van de bijzonderste ervaringen in ons leven. Hij zag daarnaast de Himalaya, ik zag Angkor Vat. Zo vullen we onze bucketlijsten en scheppen we ons eigen levensverhaal. Maar is dat de essentie, een emmer vol belevenissen?
In het jaar van de nullijn ervaar ik dat de zin van het bestaan de afhankelijkheid van anderen is. De kwetsbaarheid zit erin dat je die afhankelijkheid moet verdragen, maar de wederkerigheid ervan niet kun afdwingen. De zin van het bestaan is loslaten wat je het liefst is. Opstaan. Een foto nemen van een ondergaande zon. Zonder woorden durven zijn. Of, zoals ik in FD Persoonlijk schreef: niets meer te zijn dan huid.

blog-week 34

De nullijn

Week 34

Gisteravond, zondag 7 oktober, bezocht ik samen met een heel goede vriendin de nieuwe voorstelling van Lies Pauwels die de onnavolgbare titel Truth or Dare, Britney or Goofy, Nacht und Nebel, Jesus Christ or Superstar draagt. Eerder zagen we van haar Het Hamiltoncomplex. Ik was destijds verbijsterd over die voorstelling. Rauw, direct, prachtig, onvoorstelbaar, beangstigend, dichtbij, heel dichtbij, ontroerend, authentiek, theatraal, er zijn geen woorden om Pauwels’ realiteit te benoemen. Want dat is ook deze voorstelling: realiteit. Ondanks alle bizarre kostuums, het overdreven gebruik van (christelijke) symbolen, de muziek – van Lacrimosa uit Mozarts’ Requiem tot Nina Hagen die My way van Frank Sinatra zingt – en de ontheemde, monotoon uitgesproken monologen, raakt alles wat op het podium gebeurt aan de realiteit die wij tot de onze maken. De realiteit waarin wij kunstenaars als Banksy adoreren ook al steekt hij een middelvinger op naar een koper die meer dan een miljoen pond op tafel legt voor een versnipperd schilderij dat al honderd keer is gekopieerd. De realiteit van de religie die haute couture heet en waarin graatmagere modellen als moderne madonna’s levenloos over een catwalk paraderen. De realiteit van succes en zelfredzaamheid waarin heel veel mensen verdrinken; Pauwels maakt in haar voorstelling gebruik van zeven jongeren die allen met een psychische kwetsbaarheid kampen. Wie dat niet weet, denkt met acteurs te maken te hebben die zich heel goed hebben ingeleefd in hun ziektebeelden. Autisme, borderline, automutilatie, depressie, verslaving, eetstoornissen, psychose, het komt allemaal voorbij. En het is allemaal levensecht.
Hemeltergend is de monoloog van de frêle jonge vrouw die het heeft over kapotte meisjes. Wie goed kijkt, ziet de striemen op haar eigen armen. Zelf schoot ik vol bij de scene waarin een op een robot gelijkende vrouw alle positiviteit uitbraakt die doorgaans op LinkedIn, Instagram en Facebook is te vinden en ten slotte probeert iemand te verleiden om met haar te dansen. Niemand komt.
In de aard van religie ligt verscholen dat er iets moet zijn, iets hogers, anders, iets dat buiten onszelf ligt, waaraan we ons kunnen vasthouden, is het niet tijdens ons leven dan wel na onze dood. Gucci, Vuitton, Banksy, en sporthelden als Ronaldo zijn goden van het wereldse geloof, al wordt die laatste misschien toch als Lucifer ontmaskerd. Pauwels prikt door de schijn van deze afgoderij heen door haar acteurs aan het slot van de voorstelling T-shirts te laten dragen waarop de heiligen van de moderne tijd staan afgebeeld: Lady Di, Amy Winehouse, Kurt Cobain, Marilyn Monroe. Zij leden achtereenvolgens aan een eetstoornis, borderline, verslaving en depressie en de suïcide lag bij elk van hen op de loer. Als kapotte meisjes eenmaal dood zijn, kunnen we hen koesteren als helden. Zolang ze leven, bezuinigen we hun behandelingen stuk, bekritiseren we hun verdriet, en bieden we liever een miljoen pond voor een verscheurd kind met een rode ballon. Going, going, gone.

Truth or Dare is nog op 9 en 10 november te zien in Den Haag.

 

 

blog-week 33

De nullijn

Week 33

Hoewel ik nu precies 33 jaar in Amsterdam woon – ik kwam er als student wonen toen ik 18 was – heb ik me er nooit helemaal thuis gevoeld. Ik woonde in Zuid, Centrum en Oost en werkte 15 jaar lang op de Wallen, maar de vanzelfsprekendheid van de hoofdstad is me vreemd gebleven. Goede vrienden van mij uit Den Haag vertalen die vanzelfsprekendheid met arrogantie. Ze ergeren zich wild aan het Amsterdamse publiek dat harder praat, hipper gekleed gaat en meer op elkaar lijkt te letten dan elders in Nederland. ‘Als ik in Amsterdam naar het theater ga, loert iedereen naar elkaar,’ zegt de vriendin. Daar heeft ze in Den Haag minder last van.
Afgelopen zondag was ik in Den Haag waar ik Laatste paar dagen zag, het nieuwe toneelstuk van Esther Scheldwacht. Het theaterpubliek was dat van een kalme zondagmiddag; stijlvol klassiek gekleed, in paren of met z’n drieën, weinig cowboylaarzen onder gebloemde jurken, niet te veel witte wijn. Het rumoer van een volle zaal was vergeleken met Amsterdam eigenlijk nauwelijks rumoer te noemen; mensen praatten beleefd op zachte toon en bogen daarbij naar elkaar voorover. ‘Iedereen schreeuwt bij jullie,’ heeft de vriendin weleens gezegd. Jullie, dat zijn wij, dat is de hoofdstad, dat ben ik.
In de identiteitsdiscussie die tegenwoordig zo scherp het debat bepaalt, gaat het tussen wit en zwart, rijk en arm, hoogopgeleid en laagopgeleid, de stad en de provincie. Dat ook steden onderling zich zo sterk laten onderscheiden, in een klein land als Nederland, is geen ondergeschikt detail. Blijkbaar vult ook een stad je mond met een accent waarmee je iemand wordt, en bepaalt een stad het gedrag waardoor je iemand bent. Identiteit is precies dat; een manier om je te scharen tot een groep aan de ene kant en je af te zetten tegen een andere groep aan de andere kant. Identiteit is wie en wat je bent en de grootste gemene deler geeft de doorslag.
Een oude vriend met wie ik als student in een bestuur zat en die onlangs overleed, registreerde eens heel precies hoe ik ontspande op het moment dat ik buiten de ring trad en verkrampte als ik het centrum weer naderde. ‘Alsof je je wapent tegen de stad.’ Blijkbaar heb ik de hoofdstedelijke mores nooit helemaal kunnen integreren als identiteit. Ik praat te hard, dat zeker. In mijn kast hangen bloemenjurken en ik drink teveel witte wijn. Maar ergens vanbinnen ben ik in deze prachtige oude stad nooit helemaal geworteld. Toch zal ik er naar alle waarschijnlijkheid ook nooit meer weggaan. Misschien dat die ontheemding de gedeelde identiteit is van de nieuwe wereld die na decennia globalisering onherroepelijk de onze is geworden. We horen er niet thuis, maar we gaan er ook niet meer weg. Als we die realiteit als uitgangspunt nemen, hoeven we ons misschien wat minder tegen de ander af te zetten om zelf iemand te zijn.

blog-week 32

De nullijn

Week 32

Het lijkt wel een epidemie. Op het feestje waar ik twee weken geleden was – de zon had overdag nog weldadig geschenen, we liepen rond met blote armen – sprak ik vier vrouwen. Blond, intelligent, economisch zelfstandig, allemaal gescheiden. Geen van hen leek veel gelukkiger te zijn geworden na de breuk. Een zei inmiddels weer voorzichtig te daten met haar ex.
Alle verhalen leken op elkaar en er was één knalrode draad: het verschil tussen mannen en vrouwen. Het verschil in emotionele behoefte of het vermogen zich daarover uit te spreken. De controledrift van vrouwen tegenover de al dan niet gespeelde nonchalance van de mannen. Haar schreeuwen tegenover zijn zwijgen. Was will das Weib, vroeg Sigmund Freud zich aan het einde van zijn leven af. Misschien dat de Amerikaanse relatietherapeut Esther Perel de tegenovergestelde vraag zou kunnen stellen: Was will der Man? Afgezien van met rust gelaten worden.
Wat is het dat de seksen zich zo van elkaar vervreemden? Is het de biologische wetmatigheid dat na het bevruchten van het vrouwtje de voortplanting is veiliggesteld en er geen reden meer is voor een langdurige relatie? Is het de economische vooruitgang waardoor vrouwen nu minder dan voorheen financieel afhankelijk zijn van hun man en dus sneller de benen kunnen nemen? Is het zijn gevoel van minderwaardigheid dat daardoor wordt aangewakkerd?
Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar schreef Tolstoi in Anna Karenina. Maar ik zie eigenlijk alleen maar ongelukkige gezinnen, allemaal ongelukkig op hun eigen wijze. Tinder, de advertenties van Pier Ebbinge, de boeken van Sue Johnson en de postcasts van Perel, alles verraadt een diep verlangen niet alleen te zijn. En ondertussen worstelen we samen en alleen door de dagen. Tussen banen, kinderen, ouders, huizen en hobby’s door, op zoek naar de ander die steeds opnieuw een vreemde lijkt te zijn. Hij gewond door haar onvoorspelbaarheid, zij beschadigd door zijn bedrog en daartussen de lange leegte van het onvermogen elkaar te raken. Scheiden is voor steeds meer stellen de onherroepelijke keuze die niets oplost.
Als dichter heb ik soms last van te grote woorden. Maar nadat ik het ontroerende artikel van Fokke Obbema in De Volkskrant dit weekend las, ben ik er meer dan ooit van overtuigd dat de dreigende dood een allesbepalende factor is in ons eindeloze streven naar liefde en de manier waarop wij massaal die liefde tekort doen. Obbema was even dood – hij had een hartstilstand – en vraagt zich sindsdien af wat de zin van het leven is. Mijn generatie (geboren tussen 1960 en 1975) is het levende bewijs dat materiële welstand die essentie niet vertolkt. We hebben G’d terzijde geschoven, we hebben onze zelfverwerkelijking tot achter de komma doorgezet en nu we (ver) over de helft van ons leven zijn en ons lichaam voelen afbrokkelen, de snelheid van de tijd steeds moeizamer kunnen bijbenen en onze kinderen de weg zien gaan die we zelf ook ooit kozen, verwijten we de ander wat we zelf niet durven zien. Sterfelijk te zijn. Niets meer te zijn dan de zucht die Johannes Brahms in zijn Requiem zo subliem vertolkte. Living to the max holt de liefde alleen maar uit. Leer mij dus geduldig zijn.

 

blog-week 31

De nullijn

Week 31

Het Nederlands verdwijnt. De taal lijkt tot sterven gedoemd nu vrijwel niemand de taal en de cultuur van ons land nog wil bestuderen. De VU dreigt haar opleiding te sluiten; er waren dit jaar zes nieuwe inschrijvingen. In heel Nederland zijn dit jaar ruim 200 mensen aan een studie Nederlandse taal- en letterkunde begonnen. Ruim 13.000 studenten kozen voor de studie rechten.
In 1985 begon ik zelf met de studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Mijn grootvader was neerlandicus, promoveerde op de poëzie van Jacob Cats en eindigde zijn carrière als rector van een middelbare school in Groningen. Ik hield als kind al van de taal die tussen de zee en het land meandert, hard als het moet, speels als het kan, eenvoudiger dan het Duits, rijker dan het Engels. Ik wilde schrijven, maar vooral ook lezen, wat ik leerde van bijzondere docenten als Herman Pleij, Tom van Deel, Anthony Mertens en Klaus Beekman. Bij die laatste twee studeerde ik af. Cum laude. Het jaar daarvoor had ik in Parijs lesgegeven op de Université Sorbonne, Paris IV, destijds nog gevestigd in het Grand Palais. Aan Daniël Cunin, inmiddels een van de weinige vertalers van Nederlandse literatuur in het Frans, gaf ik een college moderne Nederlandse letterkunde. Met zicht op de pont Alexandre III bestudeerden wij Multatuli, Vestdijk, en Louis Couperus, zijn persoonlijke favoriet.
Op dat moment studeerde ik ook al rechten. De mogelijkheden op de arbeidsmarkt waren voor een neerlandicus destijds al beperkt. Na mijn afstuderen stuurde ik 167 sollicitatiebrieven. Geen ervan resulteerde in een baan. Om die reden maakte ik de studie rechten in deeltijd af, naast een baantje als receptioniste van een advocatenkantoor. Eenmaal mr. drs. (dat de titulatuur in die volgorde moet, spreekt al boekdelen) kon ik meteen aan de slag bij het ministerie van Justitie. Maar het bloed kroop waar het wel gaan moest; na drie jaar zegde ik mijn baan op en werd freelance schrijver. Sindsdien heb ik zo’n 2000 juristen geïnterviewd. Allemaal dachten ze beter te kunnen schrijven dan ik. Meer dan de helft zei eigenlijk liever schrijver te zijn geworden in plaats van advocaat.
Dat opeenvolgende regeringen erop hebben aangedrongen dat we niet massaal opleidingen moeten volgen die onherroepelijk resulteren in een  bestaan in de marge van de arbeidsmarkt, is begrijpelijk. Maar dat rendementsdenken heeft ondertussen wel geleid tot een verschraling van alles waar de politiek ook waarde aan zegt te hechten: nieuwkomers moeten zo snel mogelijk de taal leren. Gezien de dominantie van de Engelse taal, ook in het onderwijs, vraag ik me af waarom. Het aantal Nederlanders dat niet of nauwelijks kan lezen en schrijven is schrikbarend hoog. Vaardig taalgebruik is nodig om de wereld om je heen te begrijpen en om complexe vraagstukken genuanceerd te kunnen doorgronden. Daarvoor is meer nodig dan een duimpje omhoog of omlaag te steken of een smiley (=lachebekje) te posten (=plaatsen).  Niet voor niets drongen de eerste protestanten er in de zestiende eeuw al op aan zelf die Bijbel te gaan lezen in plaats van je met een wees-gegroetje onwetend voort te planten. Een moedertaal is de basis van hechting, van het gevoel ergens bij te horen. Geen enkele Nederlander zal ooit het Engels zo machtig worden als de native speakers. Ja, het is handig om andere talen te beheersen als klein volk, maar het is minstens zo belangrijk te begrijpen wat taal vermag in tijden van nepnieuws. Om dat te doorgronden, heb je een eigen taal nodig, en mensen die die taal bestuderen, verder brengen, en in literatuur omzetten.
Politiek is taal. Bestuur is taal. Onderzoek is taal. Journalistiek is taal. Zelfs rechten is niets meer dan taal. Dus lieve lezers: neem voortaan een neerlandicus in dienst in plaats van een jurist. Iemand die niet stiekem iets anders wil zijn dan hij is.

blog-week 30

De nullijn

Week 30

Zeventien jaar geleden overleed mijn moeder, op 16 april, tweede Paasdag. Het zijn van die getallen die als kauwgom in je kleren blijven plakken, hoe snel de tijd ook doordendert. Ik had een sterke band met mijn moeder, we belden elke week. Ze was strafrechter geweest en had tot haar zeventigste gewerkt. Nadien werd ze snel ouder.
Een paar maanden na haar dood, op 11 september, kwam ik na een interview rond kwart voor drie ’s middags terug op het kantoor van de Wallenburg in de binnenstad van Amsterdam. Ik trof een lege afdeling, wat nogal vreemd was voor een dinsdag. Wel hoorde ik op de bovenste verdieping van het kantoor de televisie aanstaan. Blijkbaar was er nieuws.
De trap oplopend zag ik mijn collega’s rond het oude tv-toestel staan. Journalisten, redacteuren, vertalers. Niemand zei een woord. Wat er op het scherm te zien was, zag ik niet. Wel dat mijn collega Tijs een sigaret opstak. ‘Jij bent toch al jaren gestopt?’ merkte iemand op. ‘Al vijf jaar,’ regeerde Tijs. ‘Maar niet als de derde wereldoorlog uitbreekt.’
Ik draaide mijn hoofd om, net op tijd om het tweede toestel zich in de toren van het World Trade Centre te zien boren. Het was nog geen 9 uur ’s ochtends in New York, de stad die nooit slaapt. Het was 9/11.
Ik dacht maar een ding: ik moet mijn moeder bellen.

blog-week 29

De nullijn

Week 29

Op de presentatie van de nieuwe poëziebundel van een oude vriend, ontmoette ik een vroegere vriendin. Ze vertelde me wat ze tegenwoordig deed. Iets met coaching en teams en ontwikkeling en leiderschap begreep ik. Of ze eigenlijk niet een onzinbaan had, wilde ik vragen. Maar ik zweeg. Ik begreep wel waar ze naar zocht. Iets dat op leven lijkt binnen de grenzen van de realiteit. Onze dromen zijn groot, maar de schoorsteen moet roken.
Het is intrigerend hoeveel leiderschapstrainingen worden gegeven door mensen die zelf nooit leiding hebben gegeven. Hoeveel mensen die zelf met een burn-out hebben geworsteld en daarna voor zichzelf zijn begonnen uiteindelijk iets op papier zetten over teamconcepten en verandermanagement. ‘De mensen sterven en zij zijn niet gelukkig,’ liet de Franse schrijver Albert Camus de Romeinse keizer Caligula verzuchten in het gelijknamige toneelstuk. Telkens als ik een of andere consultant iets over de stip op de horizon hoor zeggen of het woord cultuur (of agile) hoor uitspreken, bekruipt me het akelige besef dat ondanks al die verandermanagers er in wezen nooit iets verandert.
Ik ben niet de eerste die zich erover verbaast dat zoveel mensen in hun onderhoud kunnen voorzien met werk dat eigenlijk nergens over gaat. De Britse antropoloog David Graeber, werkzaam op de London School of Economics, schreef er jaren geleden al een essay over. Dit jaar verscheen zijn boek Bullshit Jobs waarin hij uiteenzet hoe het komt dat misschien wel driekwart van de banen in het Westen totaal nutteloos is. Het gaat dan vooral over banen in het management, de financiële dienstverlening, communicatie en marketing. Mensen met onzinbanen zijn sterk vertegenwoordigd in de kletsende klasse die geld verdient met de ruzie van anderen: advocaten, consultants, en ja, ook journalisten. Een boek schrijven over de chaos in het Witte Huis, zoals Bob Woodward deed in het nog te verschijnen Fear, lijkt me geen onzin. Maar het pupillenvoetbal rond de affaire van Alexander Pechtold heeft de schijn wel tegen. We houden ons bezig met elkaar, omdat we niets beters hebben te doen. Personeel om ontspoorde jongeren op te vangen, demente bejaarden te verzorgen of psychiatrische patiënten te begeleiden is er ondertussen nauwelijks. En de reden daarvoor is simpel; met onzinbanen in de communicatie of het humanresourcemanagement is gewoon meer te verdienen.
Ook ik heb jarenlang mijn geld verdiend met bagger. Nieuwsbrieven die niemand las, carrièregidsen vol interviews met bevlogen mensen die zogenaamd hun passie uitleefden. Onlangs nog schreef ik in opdracht het verhaal van een grote overheidsorganisatie die in de zoveelste reorganisatie vastliep. Storytelling is helemaal hip. Totdat je opschrijft wat er echt aan de hand is, want dat is dan weer niet de bedoeling. Het verhaal verdwijnt in een la, de verandermanager wordt ontslagen, er worden nog wat punten op de horizon gezet, gefrustreerde medewerkers zoeken hun weg in cynisme of onverschilligheid en op LinkedIn schrijven we iets over een uitdagende opdracht of een bijzonder traject, in de hoop vooral een volgende klus te krijgen.
Ik heb niets met het woord passie. Wel met het woord compassie. De vroegere vriendin wilde ook iets te doen met dat woord, zei ze. Iets meer deemoed in plaats van de fusies en de ruzies. Iets meer rekening houden met onze universele feilbaarheid in plaats van de afrekencultuur waarvan we allemaal ongelukkig worden. Iets minder onze successen uitventen als de ultieme reden van ons bestaan. Laten we, zoals Arnon Grunberg ooit schreef, vitaal de hopeloosheid omarmen. En blijven dichten.

blog-week 28

De nullijn

Week 28

Daar zat ze, bij Zomergasten, de vrouw wier werk ik het afgelopen jaar heb gelezen, en herlezen. Esther Perel. Psychotherapeute, relatiedeskundige. Ze schreef onder andere Liefde in verhouding, een boek waarin ze onderzoekt waarom wereldwijd zoveel mensen in op het oog gelukkige, langdurige monogame relaties vreemdgaan en daarmee alles op het spel zetten wat ze hebben opgebouwd. Ik kende haar oneliners al, maar het was een nieuwe ervaring ze te horen uitspreken. ‘Soms moet je met iemand anders zijn om iemand anders te kunnen zijn.’ ‘Soms is het slachtoffer van het overspel niet het slachtoffer van de relatie.’ En ook: ‘Niet scheiden, maar samenblijven na bedrog is het nieuwe taboe.’
Nieuw was voor mij het inzicht dat in de tien geboden overspel tot twee keer toe wordt benoemd: een keer expliciet – pleeg geen overspel – en een keer in gedachten: zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw (…). Maar niets is zo krachtig als het verlangen niet te zijn wie je bent, niet te zijn waar je bent, te ontsnappen aan de realiteit dat het is zoals het is. Anna Enquist, zelf psychotherapeute, schreef er het gedicht Leugens in bessentijd over: “Het verlangen is een zomerhuis zonder kookplaats en zonder geschiedenis. Hier ben ik omdat ik hier ben”. Het is een van mijn lievelingsgedichten.
Wij leven in een samenleving waarin het verlangen tot economisch model is verheven. Groei bestaat alleen bij de gratie van het (ervaren) tekort. We begeren wél het huis van een ander, of diens baan, of diens badkamer, of diens vrouw. En daarom gaan we harder werken, willen we meer verdienen, gaan we nog een keer verbouwen of ontbinden we ons huwelijk en swipen we naar een volgende relatie. Social media zijn niets anders dan jaloezie opwekkende slangen in het aardse paradijs; kijk maar, de ander, het andere, dit kun jij zijn. Perel leek er zelf ook niet helemaal ongevoelig voor; haar jeugdige uitstraling leek mede het gevolg van een chirurgische ingreep; haar voorhoofd was rimpelloos als het Lauwersmeer dit weekend. Windstil.
Ik probeerde mij er niet door te laten afleiden, maar het gebeurde toch. En vanochtend, nadat ik een paar fragmenten opnieuw had bekeken, trok ik in de spiegel even mijn gezicht strak, wat me meteen tien jaar jonger maakte. Ik herinnerde mij de tante die haar ogen liet liften, toen ze begreep dat haar man een affaire had. Het hielp niet.
Te zijn wie je bent en de ander de ruimte te geven dat ook te zijn, je eigen grenzen bewaken en je angsten bezweren, en tegelijk de ander proberen het vertrouwen te geven dat bij jezelf zo fundamenteel is geschaad. Dat is wat Perel mij het afgelopen jaar leerde. Dat je in je diepste gevoel van verlatenheid jezelf opnieuw kunt ontmoeten en daarop leert te vertrouwen.
De nullijn is niet anders dan een getuigenis van die tocht. En ja, ik weet dat sommige mensen vinden dat in de persoonlijkheidscultus van deze tijd al veel te veel wordt geopenbaard over rouw en verlies. Dat zwijgen zoveel meer kan bieden dan de openbaring van het eigen gevoelsleven. Als ik hieraan tegemoet zou komen, zou ik een schrijver zonder woorden worden. Misschien is dat een lonkend perspectief. Maar vooralsnog is het vooral een verlangen. Ik leef en werk in woorden. Het zijn precies die woorden waarmee Enquist haar gedicht besluit: “Alles ervaren zonder verdoving, pannen klaarzetten en suiker, archieven beheren, scherven bewaren.”

blog-week 27

De nullijn

Week 27

Vakanties beitsen herinneringen in ons leven. Het zijn de ankers van ons geheugen. Gekoesterd door de mediterrane zon, het zout van de zee nog plakkend op mijn huid, weet ik dat het voorbij gaat, dit klein geluk, straks als de regen weer striemt en de dagen korter worden. De foto’s – niet langer zorgvuldig gemaakt met een analoge spiegelreflexcamera, maar snel geschoten met een smartphone – kunnen de geur van zonnebrandolie niet terughalen. Welke kerk ook nog maar weer waar stond, ik zal het vergeten, te snel.
Totdat het weer vakantie wordt. Herinneringen aan het vorige jaar, en het jaar daarvoor, borrelen op als ondergrondse geisers; dat mooie uitzicht van het huisje in Umbrië, het vrijstaande huis in de Dordogne toen bleek dat de kinderen pubers aan het worden waren. ‘Weten jullie nog?’ vraag ik en ja, ze weten het nog, dat onontdekte paradijs in de vallei waar het opeens ging stormen, of die keer, lang geleden al, toen de middelste dochter een steen tegen haar hoofd kreeg en voor dood tegen mij aan bleef liggen. Dat er zoveel mensen scheiden na een zomervakantie, zou je niet zeggen als je de foto’s op Instagram en Facebook beziet. Al die vrolijke herinneringen, waar Facebook ons inmiddels ook ongevraagd aan herinnert. Een jaar geleden, vijf jaar geleden, weten jullie nog?
Dit jaar wroetten onze herinneringen verder in de tijd. Beide ouderparen, inmiddels overleden, kwamen in onze zomeravondgesprekken levendig naar voren. Mijn kindervakanties konden nogal stressvol zijn, met vijf kinderen in een volgepakte auto en een vader die eigenlijk overwerkt was. Maar mijn moeder had alles onder controle en wist aan de hand van lijstjes op twee beduimelde kladblokblaadjes (ze deden jaren dienst) alle kampeerspullen te ordenen. De slaapzakken werden over de achterbank van de auto gelegd, de tent op de imperiaal op het dak. Het enige wat mijn vader verzorgde was de verbanddoos; een vierkante, met leer beklede, cognac kleurige doos, waarin alle mogelijke antipsychotica zaten, maar vaak geen pleisters.
Als we aankwamen op de plaats van bestemming, ging mijn vader op een stretcher liggen en zetten wij de tenten op. Als hij hielp, ging dat vaak met gevloek gepaard. Maar na de slaap kwam de ontspanning en volgden eindeloze tochtjes, naar steden die inmiddels bijna ten onder gaan aan het massatoerisme. Ik hoor mijn vader nog spreken over de familie De Medici en uitleggen dat de ronde bollen op hun familiewapen pillen werden genoemd. Ik schreef erover in mijn roman Gloria in excelsis Deo.
Mijn moeder was een stabiele, opgewekte en bijzonder zelfstandige vrouw. Het Nederlandse klimaat bood volgens haar goede condities om lekker hard te werken. Ze hield niet van zonnen en zal met vijf kinderen tijdens de vakanties minder aan zichzelf zijn toegekomen dan mijn generatie vrouwen. Toch zag ze er elk jaar tegenop om na de vakantie weer naar huis te gaan. Het was de enige keer in het jaar dat iets van melancholie haar gemoed kleurde, een melancholie die mij minder vreemd is. Zittend in de ondergaande zon van Zuid-Italië zou ik daarover graag nog eens met haar van gedachten wisselen. Waar ze bang voor was. Wat ze miste. Hoe ze daarmee omging.

Een avond om niet te vergeten.

blog-week 26

De nullijn

Week 26

Wat zou de in Milaan geboren celliste Silvia Chiesa (1966) hebben gedacht toen ze het nieuws hoorde dat chefdirigent Daniele Gatti (1961) van het Koninklijk Concertgebouworkest met onmiddellijke ingang was ontslagen wegens – vermeend – seksueel onacceptabel gedrag jegens meerdere vrouwelijke orkestleden? Mij bereikte het nieuws, terwijl ik in Italië verbleef, het geboorteland van Gatti, berucht en beroemd om zijn temperament. Ik stelde me voor dat mevrouw Chiesa een van haar betere vriendinnen belde. Zulk nieuws over je ex kan je toch moeilijk alleen verwerken. Reputatie is in de internationale kunstwereld belangrijker dan talent. Van talent kun je niet leven, van sponsorcontracten wel.
‘Bongiorno, Alicia. Met Silvia.’
‘Cara Silvia, ik heb het al gelezen. In the Washington Post. Dat wil zeggen, ik las het in de Corriere della Sera. Het zijn oude incidenten, Silvia. In 1996 en 2000. Het waait wel over.’
‘In 1996 en 2000 was ik nog getrouwd, Alicia.’
‘Ik weet het, cara. Je bent niet voor niets gescheiden.’
‘Hij heeft het weer gedaan.’
‘Wat bedoel je?’
‘In Amsterdam. Ze hebben hem ontslagen.’
‘L’Orchestra Reale?’
‘Si.’
‘Oh, povera. Dat kunnen ze toch niet maken? Geruchten zijn het.’
‘Alicia, alsjeblieft. Je zei het net zelf. Ik ben niet voor niets bij Daniele weggegaan.’
‘Hij schaadde je carrière.’
‘Hij schaadde mij. Het was zo vernederend. Maar ik heb van hem gehouden, Alicia.’
‘En hij hield van jou.’
‘Nee. Hij hield van mijn belofte als celliste.’

Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden anders dan in mijn hoofd. Maar sinds ik het nieuws van Gatti hoorde, dacht ik vooral aan Silvia Chiesa. Ik dacht aan de Zweedse mezzosopraan Anna-Sophie von Otter die de #Metoo beweging onlangs de zelfdood van haar echtgenoot Benny Fredriksson verweet. Von Otter was bijna dertig jaar met Fredriksson getrouwd. Ik dacht ook weer aan de journaliste Anne Sinclair, de derde echtgenote van oud IMF-topman Dominique Strauss-Kahn die pas na de zoveelste onthulling van de seksuele escapades van haar echtgenoot zich van hem liet scheiden. Al die vrouwen achter die mannen. Hun schaamte. Hun verdriet. De lulligheid ook. In de catacomben van het Concertgebouw naar de borsten van een fluitiste turen en iets in je moedertaal fluisteren over passie en verzengend vuur, over langzame tempi en de noodzaak je helemaal te geven. En dan ’s avonds thuiskomen. Je eigen uitvoering van de tweede symfonie van Mahler opzetten, die uitvoering die je gaf in september 2016 toen je net was aangenomen als chefdirigent van een van ’s werelds grootste orkesten. Midden in de kamer van je appartement aan het Vondelpark staan en meebrullen met het slotkoor. Sterben werd’ich um zu Leben. De spanning hallucinant opbouwen, zoals de Volkskrant destijds schreef, en zeker weten dat je zult opstaan en eeuwig leven, Aufersteh’n, ja, aufersteh’n en naar God zult worden gedragen.
De stilte daarna.
En dan dat ene telefoontje.
‘Dag Daniele. Je spreekt met Silvia.’

blog-week 25

De nullijn

Week 25

In een tijd waarin alles openbaar is, groeit de behoefte aan beslotenheid. Wat eigen is, moet worden afgeschermd. Wie persoonlijk geïnspireerde artikelen schrijft, zoals ik onlangs deed in de Volkskrant, kan weerwoord verwachten. De maatschappelijke discussie komt het ten goede, de persoonlijke verhoudingen vaak niet.
Bekentenisliteratuur is even kwetsbaar als confronterend. Onlangs herlas ik de liefdesbrieven van André Brink en Ingrid Jonker, uitgegeven onder de titel Vlam in de sneeuw. Hoewel beiden schrijvers waren en verlangden naar lezers, bekroop mij bij het lezen van hun brieven toch ook vaak het gevoel getuige te zijn van een relatie die geheim had moeten blijven. Het is de strijd van elke kunstenaar; hoe ver ga je in de openbaring van je talent als daar anderen bij betrokken zijn?
Tijdens het schrijven van levensverhalen valt me telkens weer op dat mensen alles willen zeggen, maar niet alles willen vastleggen. Biecht en zelfcensuur houden elkaar in evenwicht. Schrappen wat er wel is, maar niet had moeten zijn, is een krachtig middel om schaamtevolle ervaringen of pijnlijke herinneringen uit de weg te gaan. Wie schrijft die blijft, luidt het gezegde en dat geldt ook voor het geschrevene. Als het eenmaal ergens gedrukt op papier staat, is het waar en voor altijd.
Maar dat is niet zo. Wie weet nog wie Carry van Bruggen is, de joodse schrijfster die met haar autobiografische verhalenbundel Het huisje aan de sloot in 1921 enige bekendheid verwierf? Van Bruggen had veel te verbergen. Ze leed aan klinische depressies en rond haar dood in 1932 bleef veel onduidelijk door het stevige gebruik van slaapmiddelen. Wie leest nog Anna Blaman in wier hele oeuvre de strijd met haar homoseksualiteit van de bladzijden spat? Is het waar wat deze vrouwen schreven, echt als in “zelf beleefd”, dus persoonlijk? De boeken van beide schrijfsters liggen ongetwijfeld in het archief van de Koninklijke Bibliotheek. Dat is waar. Voor de rest raken hun namen verstrikt in vergetelheid.
Daarvan gaat een grote troost uit. De strijd die wij vaak strijden, om wat persoonlijk is en wat niet, om wat wel gezegd moet worden en wat verzwegen moet blijven, zal uiteindelijk door de tijd teniet worden gedaan. Zelfcensuur is niet goed, denk ik. Door het onderdrukken van de dingen die zijn zoals ze zijn, vergroeien mensen in hun eigen schaamte en angst. Maar al te veel openbaring van wat in kleine kring moet blijven, brengt ook schade toe, al is dat meestal onbedoeld.
‘Een goede schrijver moet nietsontziend zijn,’ hoorde ik een kennis eens zeggen. Ik was het met hem eens, maar voelde ook de spanning die aan zijn stelling ten grondslag lag. Ik ga in mijn komende geschriften proberen eerlijk te blijven, tegenover mijn talent en mijn omgeving. Maar over sommige ervaringen zal ik leren zwijgen of schrijven zoals de dichter Martinus Nijhoff het verwoordde: lees maar, er staat niet wat er staat. En ook: Liefde wordt nooit vergeefs vertrouwd.

blog-week 24

De nullijn

Week 24

White privilege. Zo was het niet bedoeld. Dus dat is nogal naïef van deze #deugmuts. Gepubliceerd in de Volkskrant, en vervolgens ook verguist. Dat heet discussie.

 

 

 

blog-week 23

De nullijn

Week 23

Omdat de zomer zo genadig blijft branden en alle ramen in de straat openstaan, kan ik de finale van het WK voetbal volgen zonder televisie te kijken. De laatste keer dat Nederland in de finale stond – in 2010 – keek ik evenmin. Ik zat destijds driehoog op het balkon van de beste vriend van mijn man en keek naar de binnentuin beneden. Te bevangen door de spanning, zoals mijn vader dat ook was in 1974, toen we bij vrienden in Meppel naar de wedstrijd tegen Duitsland keken. Ik was toen nog geen acht jaar oud, mijn jongste zusje was nog geen jaar dood.
In 1978 keken we en famille op vakantie in een café in Frankrijk, waar wij als Nederlanders met gejuich werden ontvangen. Jorge Videla was in Argentinië aan de macht en van Jorge Zorreguieta had nog niemand gehoord. Zijn jongste dochter Ines was nog niet geboren (maar inmiddels wel gestorven) en dat zijn dochter Maxima onze koningin zou worden, had niemand voor mogelijk gehouden, het “bloed aan de paal” van Bram & Freek indachtig.
Mijn man en mijn jongste dochter kijken nu weer naar de finale van een WK voetbal, bij diezelfde, nog steeds beste vriend die inmiddels bij ons om de hoek woont. Ik volg de wedstrijd in onze eigen binnentuin, zonder beelden, op de golven van het geluid. Ik weet niet wie juicht voor wie. Mijn dochter is voor Kroatië, omdat ze het leuk vindt dat een onbekend klein landje met 4,5 miljoen inwoners kan winnen van een oude koloniale supermacht. Dat Luka Modric op Johan Cruijff lijkt, helpt ook.
Dat Kroatië in de Tweede Wereldoorlog een fascistische vazalstaat van Duitsland en Italië was waar in diverse concentratiekampen Joden en zigeuners werden omgebracht, is in deze negentig minuten geen nieuws. Dat de mannen die nu op het veld staan als kinderen moesten vluchten voor het oorlogsgeweld in de onafhankelijkheidsstrijd van de jaren negentig, doet de hoop op een overwinning in Moskou alleen maar opflakkeren. Alle schaduw van de geschiedenis kan teniet worden gedaan in het licht van de zon die nu schijnt.
De beste vriend van mijn man is niet vanzelfsprekend mijn beste vriend geworden. Hij heeft ooit eens iets onaardigs gezegd over de ogen van Eva Jinek, ik werd daar als jonge moeder van drie dochters heel boos over, en sindsdien knikken we beleefd naar elkaar. Mijn man heeft jaren later in het huis van deze beste vriend iemand ontmoet met wie hij bevriend raakte op een manier die mij voor even buiten sloot. Nu schijnt de zon in onze binnentuin en plant ik twee kersenbomen, terwijl een paar huizen verderop mijn dochter haar adem inhoudt. Laat Modric scoren. En als Nederland over vier jaar weer meespeelt op een nieuw WK, bloeien de kersen. Dan kijken we met z’n allen.

blog-week 22

De nullijn

Week 22

In 2000 verscheen in dagblad Trouw de interviewserie ‘Kind van de wederopbouw’. In de serie beantwoordden twaalf meer en minder bekende Nederlanders – en een enkele Duitser – de vraag in hoeverre de oorlog, die ze geen van allen zelf hadden meegemaakt, hun mensenbeeld, zelfvertrouwen en arbeidsopvatting had gekleurd. Het zijn de beste interviews uit mijn carrière. Dat kwam door het onderwerp en de geïnterviewden, onder wie Job Cohen en zijn broer Floris, de inmiddels overleden Saskia Stuiveling en schrijfster Tessa de Loo – maar het kwam ook door de stand van de journalistiek. Er was tijd om mensen in vaak meerdere sessies een paar uur te spreken en er was ruimte om wat ze zeiden in 2000 tot 3000 woorden op te schrijven. Slechts bij een van de geïnterviewden was gedurende het gesprek een woordvoerder aanwezig, alle anderen ontvingen mij hetzij bij hen thuis, hetzij op hun werkkamer waar in sommige gevallen nog flink werd gerookt (Stuiveling, De Wijkerslooth de Weerdestijn).
Sindsdien is er veel veranderd in de (geschreven) journalistiek. Interviews moeten steeds korter en bij voorkeur afgepast in een format. 900 woorden is tegenwoordig vaak het maximum. Series worden van tevoren thematisch zo dichtgeplakt dat er weinig ruimte is voor een ander geluid. Ook de lezer is voorgeprogrammeerd: veel week- en maandbladen hebben in hun redactieformule prototypen lezers beschreven, met namen, leeftijden en hobby’s, om zo tegemoet te komen aan de grootste gemene deler. Als een geïnterviewde vervolgens niet zegt wat van tevoren in de briefing is bepaald, geldt het stuk al snel als onbruikbaar. Zeker als iemand niet bereid lijkt te persoonlijk te worden. Want emotie, dat is echt een voorwaarde. Waar het stuk ook over gaat, het moet persoonlijk zijn en dicht op de huid zitten.
Opvallend genoeg heeft deze tendens geleid tot oppervlakkiger artikelen. In Kind van de wederopbouw kwam ik veel dichter op de huid van mijn gesprekspartners dan in welke geformatteerde serie dan ook. De opdracht vooral “persoonlijk” te worden in interviews, leidde de laatste jaren steeds vaker tot gecontroleerde afstand, zorgvuldig bewaakt door woordvoerders of, nog erger, marketeers. De mens als product moet in de markt worden gezet en daar heeft hij of zij soms nog een journalist voor nodig (al duurt ook dat niet lang meer). Journalistiek is handel in ijdelheid. Maar waar ooit oprechte belangstelling kon leiden tot fundamentele overwegingen over thema’s als het kwaad, of vergelding, of vergeving, of ethiek, en de lezer na lezing van het interview nog lang kon nadenken over wat hij er zelf eigenlijk van vond, gaat het tegenwoordig steeds vaker om makkelijk te verteren stukken met een leestijd van niet meer dan vijf tot zeven minuten die je ook weer snel kunt vergeten.
Er zijn uitzonderingen op de regel, natuurlijk. Carolina Lo Galbo – wat mij betreft de beste interviewer van Nederland – schreef onlangs bijvoorbeeld een prachtig interview met Max van Weezel in Vrij Nederland. Doorgaans zijn journalisten die journalisten interviewen heel vervelend, maar dit stuk gaf een diep inzicht in de worsteling van een heel zieke man, zijn verhouding tot zijn ouders, echtgenoot en dochter, de ontwikkeling van de naoorlogse parlementaire journalistiek in Nederland en de donkere echo van de oorlog die nog altijd weerklinkt.
Ik wilde journalist worden om zulke verhalen te vertellen. Om dezelfde reden trek ik mij nu langzaam uit het vak terug. Voor 400 euro en in 900 woorden kan ik niet de vragen stellen die er volgens mij toe doen. Daarom schrijf ik inmiddels fictie en daarom studeer ik met het doel geestelijk verzorger te worden. Om vragen stellen zonder format. (En overigens ook zonder G’d).

blog-week 21

De nullijn

Week 21

Ze zou 49 jaar zijn geworden. Anna. We vierden haar jubeljaar op de begraafplaats Westerveld in het Noord-Hollandse Driehuis. Het was prachtig zomerweer, de zon streelde de rouwvelden. ‘Zulk mooi weer was het ook toen ze werd geboren,’ herinnerde haar moeder zich. ‘Elk jaar nadien was het mooi weer op 26 juni.’
Ik leerde Anna kennen op de Universiteit van Amsterdam waar zij rechten studeerde, en ik ook. Hoewel we beiden wisten dat we nooit een toga zouden aantrekken, vonden we elkaar in de liefde voor het schrijven; we publiceerden in het faculteitsblad Alibi en zij schreef haar eerste feuilleton dat ‘Lot’ heette. Zo heet haar moeder ook. Later schreef Anna het boek De zondagsvrouw waarin ze verhaalt over de tumor die in haar hoofd groeit. Elf jaar liep ze er mee rond. De manier waarop zij haar ziekte onderdeel maakte van haar leven, beïnvloedde het mijne. Ze durfde hulp te vragen en liet mij dichtbij komen. Ik weet nog glashelder hoe we naar de bestraling in het Amsterdam VU ziekenhuis reden en zij bijna haar evenwicht verloor, waardoor we een rondedansje op de parkeerplaats maakten. Hoe ik haar uitkleedde en zij nog een opmerking over een of ander leuk jurkje kon maken. Hoe ze het masker opzette dat speciaal voor haar mooie ronde hoofd was gemaakt. Hoe ze iedereen van de afdeling oncologie bedankte na afloop van de bestraling.
Nog geen jaar voor haar dood trouwde Anna in de achtertuin van haar woning met R. Hij is het die elk jaar haar verjaardag viert tussen de urnen van Westerveld. Op hun huwelijk kwam de burgemeester langs, hij die luisterde naar de naam Eberhard. Hij vertelde het verhaal van een joodse man die vlak na de oorlog in New York werd aangesproken. Of hij niet happy was dat hij in de VS was ten tijde van de oorlog. Dat het toch fijn was dat Amerika hem gastvrij had opgevangen. ‘Yes, I’m happy,’ had de man geantwoord. ‘Aber glücklich bin ich nicht.’

blog-week 20

De nullijn

Week 20

De moeder de vrouw. Het thema van de komende Boekenweek maakt de tongen los. Schrijfsters en schrijvers tekenen een open brief aan het CPNB om hun ongenoegen kenbaar te maken over de keuze twee mannen het Boekenweekgeschenk en -essay te laten schrijven over hun moeders. Waarom geen schrijvende moeder zelf aan het woord laten? Waarom vrouwen reduceren tot die ene waarheid die hun identiteit al eeuwen bepaald, namelijk die van het moederschap?
Mijn man vindt de ophef onzin. Wat is er nou een mooier thema dan de moeder? Wie is er sterker, troostrijker, liefdevoller dan zij? Wie strekt meer tot voorbeeld dan die ene onvervangbare vrouw? ‘Jij doet toch religiewetenschappen?’ probeert hij zijn mening nog eens extra te beargumenteren. ‘In al die verhalen komt toch altijd weer de kracht van de vrouw aan bod, zij die het leven schenkt?’
‘In al die religies komt vooral naar voren dat vrouwen wereldwijd worden onderdrukt,’ reageer ik. ‘Ze moeten een pruik op, of een hoofddoek, of kinderen baren met grote smart, zoals in de Bijbel staat. Ze worden uitgehuwelijkt, als hoer geportretteerd, moeten met hun vader naar bed, of mogen alleen voor de kinderen zorgen.’
Daar had mijn man niet bij stilgestaan.
Het gesprek verried een diepgeworteld verschil tussen mannen en vrouwen en de discussie over identiteit die op dit moment zo fel wordt gevoerd. Het ligt namelijk niet aan de persoonlijke naïviteit van mijn man dat hij er zo over denkt. Mijn broer denkt precies zo over zijn moeder (die dus ook de mijne is). Veel mannen hebben een heel ander beeld bij het woord “moeder” dan vrouwen. Voor veel mannen is de moeder de ultieme vrouw. Voor veel vrouwen is zij de spiegel waar niemand te lang in wil kijken. Want moeders, weten wij vrouwen maar al te goed, doen het nooit goed.
Dat geldt zeker voor de schrijvende moeders onder ons. Op een enkele columnist na hebben wij geleerd ons moederschap vooral geen onderwerp van onze boeken te laten zijn. Want zodra je moeder bent, ben je voor de literatuur verloren. Een collega van mij kreeg het letterlijk te horen, nadat ze haar tweede kind had gebaard: “Nu krijg je nooit meer een prijs”. Dat ik mijn roman Gloria in excelsis Deo liet beginnen met een bevalling, deed de verkoopcijfers geen goed.
De ultieme moeder zet geen woorden op papier, maar bakt  brood. De ultieme moeder oefent liever Franse woordjes dan dat ze woedende gedichten kneedt. De ultieme moeder houdt het gezin drijvend, terwijl vaders vreemdgaan, te veel drinken, te hard werken, of ingewikkelde recensies schrijven over onbegrijpelijke boeken.
Ik draag mijn binnenkort verschijnende roman Echo op aan mijn moeder. Strafrechter. Moeder van zes.

blog-week 19

De nullijn

Week 19

Sporters worden er al op jonge leeftijd mee geconfronteerd. Afscheid moeten nemen van wat je lief is. Dat gebeurt zelden vrijwillig, maar de tijd en het lichaam zijn streng. Blessures, het verlies van conditie en concurrentie van meedogenloze jongere talenten dwingen tot het besef dat afscheid nemen bij het leven hoort als de dood.
Partir c’est mourir un peut, dichtte de Franse schrijver Edmond Haraucourt (1875-1941) in zijn Rondel de l’adieu, en zo is het. Afscheid nemen is een beetje sterven aan wat men lief heeft, on laisse un peu de soi-même / en toute heure et dans tout lieu. De sporter wiens lichaam het langzaam laat afweten, wordt tot het afscheid gedwongen, maar hoe zit het met het vrijwillig afscheid dat wij nemen van geliefden, collega’s, vrienden, een baan of een dierbare hobby? Waarom dwingen wij onszelf in het keurslijf van verandering als afscheid nemen zo pijnlijk kan zijn?
In mijn leven heb ik mij een paar keer bewust en vrijwillig losgescheurd van wat mij dierbaar was; in 1998 zegde ik – net moeder geworden – mijn vaste baan op als redacteur bij het ministerie van justitie, omdat ik de politieke en ambtelijke waarheid niet meer goed kon rijmen met wat ik met eigen ogen zag. Dit afscheid viel niet zwaar, maar betekende desondanks wel een stapje in de richting van de dood; mijn (financiële) zekerheden verdampten en de waarheid kwam niet dichterbij. Een tweede belangrijk afscheid was mijn vertrek van het kantoor De Wallenburg waar ik 15 jaar als freelancer had gewerkt. Ik hield van mijn collega’s die stuk voor stuk de drang naar vrijheid en eigenstandig denken verkozen boven een veiliger en eenduidiger bestaan. Toch liet ik los, om mijzelf opnieuw uit te vinden en het risico te lopen eenzamer te worden en juist daardoor weer creatiever. Het werkte; ik schreef een roman en een dichtbundel, werkte ruim een half jaar voor een onderzoeksinstituut dat een van de belangrijkste gebeurtenissen van de recente Nederlandse geschiedenis onderzocht, schreef opnieuw een boek over de geschiedenis van de psychiatrie. Maar ik mis mijn vrijzinnige collega’s nog altijd.
Dat gemis indachtig nam ik dit weekend opnieuw afscheid. Na in totaal vijftien jaar – met een onderbreking van zeven jaar – bij het vrouwenkoor Angels te hebben gezongen, besloot ik een paar weken geleden dat het tijd was om te gaan. Zo’n proces is even onomkeerbaar als verwarrend, want waarom afscheid nemen van wat je zoveel leert en liefde schenkt? Soms is het antwoord even schraal als waar: omdat het tijd is.
Ik zal altijd een Angel blijven. Maar na jaren in het volle licht op het podium te hebben gestaan, heb ik behoefte om minder zichtbaar te zijn. Vrouwen zijn erg op zoek naar verbinding, naar gezien worden en er mogen zijn. Mijn boeddhistische tentamen van volgende week indachtig wil ik een tijdje niet-zijn en opgaan in een verband dat groter is dan mijzelf. Daarom ben ik erg gelukkig dat ik per 1 september opnieuw ga zingen bij het Nederlands Concertkoor. Brahms, Beethoven, terug naar de bron. Wenn alle fleisch es is wie grass. En: alle Menschen werden Brüder.

blog-week 18

De nullijn

Week 18

Of ze met me mee mocht rijden, vroeg ze. Maaike. Ze kwam uit Wapserveen. ‘Daar woon ik in een leefgemeenschap.’ Ze verbouwde bijzondere groente en organiseerde af en toe een workshop. Duurzaam en zelfredzaam, dat waren haar woorden. Ze moest naar Utrecht. ‘Ik blijf een paar dagen bij een vriendin logeren. Het is wel heel afgelegen waar ik woon. De regiotaxi is afgeschaft. Soms mis ik de stad.’
Mijn vader nam ze altijd mee, lifters. Hij hield ervan met wildvreemde mensen op onverwachte momenten in de beslotenheid van een auto onderweg te zijn. De ontmoetingen waren zonder uitzondering bijzonder; een enkele lifter bleef zelfs bij ons slapen. Hun levensverhalen vulden de onze. Dat heet the comfort of strangers. Soms is het makkelijker tijdens een autorit van een uur met elkaar van gedachten te wisselen dan tijdens een avond met oude vrienden aan een lange tafel vol wijn en spijs.
Eigenlijk is het een metafoor van ons aller leven. We zijn onderweg, velen met een uitgestippeld doel voor ogen; een festival, een opleiding, hoge cijfers, veel vrienden, een baan, een relatie, een kind, een nieuwe baan, en nog een, een carrière, verre reizen, een pensioen, en ten slotte een waardig levenseinde. We vullen de kieren van ons bestaan met andere mensen die we kennen, die we vrienden noemen, of collega’s of familie. Zij bevestigen de richting die we hebben gekozen, het doel dat ons voor ogen staat. Of we kunnen ons juist tegen hen afzetten, om nieuwe doelen te bepalen en andere richtingen te kiezen.
Maar wat als er geen regiotaxi meer rijdt in jouw buurt en je op een anoniem tankstation bent aangewezen op mensen die toevallig richting Utrecht rijden?
Maaike had eerst een lift gekregen van een man die ex-militairen hielp met hun posttraumatische stress stoornis. Hij had het maar niks gevonden, zo’n meisje alleen onderweg. Zij deed het al jaren, zei ze. Ze had dwars door Europa en Israël gelift, altijd alleen. ‘Al liftend ontwikkel je een goede intuïtie.’
Vijfendertig was ze, al oogde ze tien jaar jonger. Ze geloofde in de natuur en hield van creatieve dingen, van schrijven en lezen. Ze noteerde de titels van boeken die ik noemde. Mijn eigen roman, Gloria in excelsis Deo die over de (on)mogelijkheid van maakbaarheid gaat. En het boek dat ik momenteel lees, Het einde van de eenzaamheid van de jonge Duitse schrijver Benedict Wells.
Ik vertelde dat ik Religiewetenschappen studeerde, omdat ik als journalist en schrijver mijn toekomst langzaam in de digitale beeldcultuur teloor zag gaan en graag nog lang en gelukkig aan het werk wilde blijven, ook al was ik inmiddels 51. ‘Ik wil leren hoe ik mensen kan helpen zich te verzoenen met hun levensverhaal’, formuleerde ik mijn nieuwe ambitie. ‘Als een soort dominee zonder God.’
Of ik geloofde in een leven na de dood, vroeg zij.
‘Nee,’ antwoordde ik.
‘Ik wel,’ zei ze.

blog-week 17

De nullijn

Week 17

De stad lonkt als een krolse kat. Jongeren verlaten hun geboortegrond om zich te vestigen in steeds vollere steden. Amsterdam, daar gebeurt het. Maar ook Rotterdam trekt, net als Utrecht of Maastricht. Op elkaar gepropt in veel te dure woningen per vierkante meter blijkt aantrekkelijker dan wijds leven in frisse lucht.
Verstedelijking is een wereldwijd verschijnsel. Werk is de voornaamste trekker. Maar ook de gezondheidszorg, het onderwijs en de vrijetijdsbesteding zijn in de stad kwalitatief beter dan op het platteland. Een overprikkelde jeugd zoekt als altijd nog meer prikkels. Bright lights, big city.
Hoe anders beleefden de romantici in de 18e eeuw het platteland dat zij verheerlijkten als paradijs. De Nederlandse schrijfster Elisabeth Maria Post beschreef het in haar boek Het land, in brieven, dat in 1788 verscheen. In het brievenboek corresponderen twee vriendinnen, de stadse Eufrozyne en de dorpse Emilia die de pracht van het platteland vier seizoenen lang nauwkeurig beschrijft. Eufrozyne beklaagt zich op haar beurt over de sociale druk die de stad met zich meebrengt. Op 20 juni 17xx verzucht zij bijvoorbeeld:

“Wij arme steebewoners missen de vrijheid van het land; wij moeten zuchten onder de lasten, die de zogenaamde welgevoeglijkheid ons oplegt; en in onze kleding de navolgers van anderen zijn. Dwaas bedrijf voor de vrije ziel!”

Ik herkende me in deze woorden toen ik dit Pinksterweekend met mijn oudste zus door het zonovergoten Groninger landliep. Een kievit vloog op om ons te waarschuwen niet te dicht haar nest te naderen. Kikkers kwaakten, schapen blaatten, lammeren bedelden om melk bij hun geduldige moeders. Een warme wind geselde mild de lentegroene velden waar het gras nog hoog stond om de kwetsbare weidevogels een laatste kans te geven.
Dit land loopt leeg. Verstoord door gaswinning en de economische wetmatigheid dat we groei nodig hebben. Groei waardoor de binnenstad van Amsterdam dichtslibt, de stad waar ik dit jaar 33 jaar woon, waar mijn dochters zijn geboren. De stad die mij op hakken dwong, met opera en theater verleidde, waar mijn alma mater staat en het huis dat ik het paradijs noem en waar ik de appelboom plantte.
Dwaas bedrijf voor de vrije ziel.

blog-week 16

De nullijn

Week 16

Ze zal een jaar of zeventig zijn geweest, de charmante vrouw die ik twee dagen geleden in de nagelstudio ontmoette. Terwijl haar voeten en mijn handen moesten drogen, vroeg ze om een tijdschrift. Bovenop de stapel lag het blad Mama met op de cover een vrolijk ogende vrouw van ergens achter in de twintig met twee kleine kinderen. Daaronder, in chocoladeletters: “Spitsuur!”
‘Ik geef u even een ander blad,’ zei ik en greep voorzichtig naar de Vogue die eronder lag. ‘Ik denk niet dat u nog erg geïnteresseerd bent in het spitsuur.’
Ze lachte. ‘Het is zoveel makkelijker als oma. Iedereen zegt het, je gelooft het niet, maar het is zo. Ik ben vergeten hoe ik het als moeder heb gedaan. Met twee kinderen. Je doet het. Dat is alles.’
Ze was geschiedenislerares geweest, vertelde ze. Heerlijk had ze het gevonden, ze zou het zo weer willen doen. Ook al moest ze er vijftig minuten voor forensen. Vijftig minuten heen, vijftig minuten terug. En dat als alleenstaande moeder. ‘De kinderen waren 10 en 4 toen er op een dag een briefje op de keukentafel lag. “Het gaat niet meer”. En weg was hij. Toen moest ik het alleen doen. Hup, de tent in de achterbak en kamperen met z’n drieën. In het dorp praatten ze erover. “Dat gekke mens in haar eentje”. Ik bleef toch import, ik hoorde er niet bij. Maar de meisjes zijn goed terechtgekomen. De een is arts, de ander werkt bij een museum. Het is goed gegaan.’
‘U hebt het goed gedaan,’ zei ik.
‘Ach,’ zei ze. ‘Je doet het. Dat is alles.’
Ze mist hem niet, haar ex-man. Een paar jaar geleden verruilde ze de oude gezinswoning in de provincie voor een appartement in de stad. Daar woont ze met veel plezier, in haar eentje. ‘Niet dat ik niet van mannen houd hoor,’ zei ze, ‘maar het is wel gedoe. Op mijn leeftijd hebben ze allemaal zo’n buik. Een biertje, nog een biertje, nog een. En dan dat groene grasveld dat de hele avond het televisiescherm vult. Ik ben blij dat ik daar vanaf ben.’
Haar ex-man heeft al lang een andere vriendin. Maar soms ziet ze hem nog fietsen in haar buurt, hopend dat hij haar tegenkomt, de moeder van zijn kinderen. ‘Dan zie ik hem zitten en denk ik: joh, ga naar je vriendin. Maar als je kinderen hebt, kom je nooit meer helemaal van elkaar af. Het contact is goed hoor, ook met hem en onze dochters. Maar ik mis het niet, mijn huwelijk. Ik mis eigenlijk alleen de tuin.’

 

blog-week 15

De nullijn

Week 15

Terwijl in Nederland een polemiek over hedendaags antisemitisme losbarstte[1], liep ik met mijn zangvriendin Irene door de binnenstad van Tbilisi. We waren met ons koor Angels op bezoek geweest bij ons Georgische zusterkoor Sathanao met wie we twee concerten gaven en nieuwe Georgische liederen leerden. Na een intensieve week vol muziek hadden we een ochtend vrij. Sommigen van ons gebruikten de tijd om naar een traditioneel badhuis te gaan, anderen kozen voor een rommelmarkt. Irene en ik besloten een religieuze wandeltocht te maken. We kleedden ons decent en namen een sjaal mee.
Het zindert van religie in Tbilisi. Reizend door het land met onze Georgische zusters viel het al op dat zij een kruis sloegen bij elke kerk waar we langs reden. We bezochten de Svetitskhoveli kathedraal waar volgens de overlevering de lijkwade van Jezus begraven ligt en beklommen het kloostercomplex van Ananuri waar op de oostelijke façade van de Moeder Godskerk een engel op hoge hakken was uitgehouwen. Dat schiep een band.
De kerktorens in Tbilisi kun je niet op twee handen tellen. Op zondag weerklonk uit de spelonken van de heilige huizen overal koormuziek, als eerbetoon aan hem die zo node wordt gemist op de wereld. Maar het zijn niet alleen christelijke kerken die het straatbeeld bepalen. Op nog geen halve vierkante kilometer van elkaar staan de Georgisch-orthodoxe Sioni kathedraal, de Grote Synagoge en de Jumah moskee, allemaal vrij toegankelijk, mits vrouwen het hoofd bedekken. Wat wij zonder moeite deden. De bibliotheken van de synagoge en de moskee leken op elkaar als druppels water. Alleen de talen van de uitleenbare boeken verschilden: Hebreeuws en Arabisch. Voor mij beide net zo onbegrijpelijk als het Georgisch dat op geen enkele taal lijkt.
In het David Baazov Museum of history of the Jews of Georgia and Georgian-Jews leerden we dat het antisemitisme in Georgië vrijwel onbekend was. Volgens de informatie van het museum hielpen de joden om kostbare orthodoxe iconen in hun huizen te verbergen nadat Agha Mohammed Khan in 1795 vanuit Perzië Georgië was binnengevallen. Wat dat voor de Georgische moslims betekende vertelde het museum niet, maar uit de ondertiteling van de informatiefilm viel op te maken dat in Tbilisi moslims, joden en christenen eeuwen vredig naast elkaar hadden gewoond, met respect voor elkaars rituelen. ‘Uiteindelijk geloven we allemaal in dezelfde God.’ Net als ooit in Bosnië.
Ik geloof niet in de God die straft en verdeelt, het religieus fanatisme dat uitsluit en bedreigt. Maar wat ik deze ochtend ervoer in de binnenstad van Tbilisi was de gedeelde hoop, dat blinde verlangen naar een troost die groter is dan de geschiedenis rechtvaardigt.

[1] Zie bijvoorbeeld de column van Paul Scheffer in NRC Handelsblad van 1 mei en de voetnoot van Grunberg in de Volkskrant van 4 mei.

 

blog-week 14

De nullijn

Week 14

April is the cruellest month, breeding
lilacs out of the dead land, mixing
memory and desire, stirring
dull roots with spring rain.

T.S. Eliot
The Waste Land

Dit weekend bezochten wij de ouderdag van de studentenvereniging waarvan onze oudste dochter lid is geworden. We zagen stralende jonge vrouwen die na een onzekere tijd van ontgroening en selectie voor jaarclubs en commissies elkaar herkend leken te hebben. Ze omhelsden elkaar veelvuldig. Ze dronken ook veel bier.
Eerder deze week, terugkomend uit Aruba, trof ik het overlijdensbericht van Alexander, een jonge man van 51 jaar met wie ik ruim dertig jaar geleden in het sociëteitsbestuur zat van de vereniging waarvan ik destijds lid was: SSR in Amsterdam, een van origine gereformeerde vereniging die op dat moment al decennia een “jongerenvereniging” was, zonder ontgroeningen en met veel maatschappelijk verantwoorde discussies. En veel bier.
De jaarclub van onze dochter heet “Lux”. Die naam hadden ze goed gekozen, dacht ik gisteren. Ze straalden, deze jonge vrouwen, als het lentelicht van de afgelopen week. Uitbundig, fel, verwarmend, zwanger van belofte.
Van mijn toenmalige bestuur zijn inmiddels al twee leden overleden; mijn vriend C. benam zichzelf in de nacht van 4 op 5 april 2004 het leven, Alexander stierf aan de gevolgen van een langdurige ziekte, tot het einde toe vol levensmoed. Hij laat een vrouw en twee kinderen achter.
‘Ik houd van de lente,’ zei mijn dochter laatst. ‘Omdat ze me blij maakt, maar ergens ook triest. Ik word er melancholisch van. Alsof alles wat begint in zichzelf weer eindig is.’

blog-week 13

De nullijn

Week 13

Op afstand van Nederland neem ik het binnenlandse nieuws dat via de iPad mij toch dagelijks bereikt op een andere manier waar. De huizenmarkt is oververhit. Het onderwijs holt achteruit. En terwijl eindelijk de zon doorbreekt, wordt er veel aandacht aan depressie onder jongeren besteed; zij lijden onder de hoge verwachtingen en de als noodzaak ervaren druk om te excelleren.
Het nieuws gaat over mij. Toen wij rond de millenniumwisseling op zoek gingen naar ons eerste koophuis, was de gekte net zo reëel als nu. Ik zie me nog halsoverkop naar Haarlem en Hilversum rijden als er een huis op de markt kwam; je mocht al in je handjes knijpen als je de eerste was die kon komen kijken. Ik hield er een grondige hekel aan makelaars aan over met hun geklets over authentieke details. Dankzij mijn man bleven we in Amsterdam.
Mijn kinderen zaten op een heel leuke basisschool, maar lezen en schrijven blijft ingewikkeld. De regel rond d’s en t’s lijkt nooit echt goed uitgelegd en het bezittelijke voornaamwoord mijn, of vooruit m’n, is in alle appjes die ik krijg al jaren me. “Me fiets is stuk.” Ik verwijt het de leerkrachten niet, maar jammer is het wel.
En dan de prestatiedruk; ik schreef er verschillende opiniestukken over in de Volkskrant. Ik heb er zelf in de jaren tachtig en negentig ook last van gehad. Door de toenmalige werkloosheid onder academici deed ik niet een, maar twee studies (dat kon toen nog), waarvan ik er een cum laude afrondde. Ik pimpte mijn cv op met bestuursfuncties en een stage aan de Université Paris IV Sorbonne wat nog steeds heel goed klinkt. Maar 167 sollicitatiebrieven later kroop de afwijzing toch onder mijn huid. Ik heb nooit meer een gelukkige verhouding tot werk gekregen. Als freelance journalist en schrijver heb ik prachtige ervaringen opgedaan, maar het geworstel met de financiële beloning ervan en de voortdurende druk dat je zo goed bent als je laatste stuk, heeft me niet altijd gelukkiger gemaakt. Als ik naar mijn eigen website kijk, verbaas ik me soms over de hoeveelheid tekst die erop staat. Wanneer had ik de tijd dat allemaal te schrijven? En hoe kan het dat ik ondanks die prestaties me toch zo vaak mislukt hebt gevoeld?
Gezeten op het eiland Aruba bij mijn zus die hier lerares Engels is, kan ik meer mededogen opbrengen voor degene die ik in Nederland vaak denk te moeten zijn. Niet omdat ik het van mijzelf verwacht te moeten excelleren, maar omdat we in een normatief land leven, dat prachtig is geordend, maar ook streng is voor zichzelf. Amsterdam is een heel mooie, maar ook onaardige stad die bovendien steeds gesegregeerder lijkt te raken. Je moet de juiste mensen kennen om bij de juiste clubs te horen, langs de kleuren van onze huid en onze bankrekening worden harde grenzen getrokken. Als ik volgende week weer over de grachten fiets en mensen op de terrassen zie zitten, hoop ik dat ik kan kijken met de ogen van Aruba: door het weer gedwongen soms rustiger aan te doen. Met minder spullen toekunnen, omdat je toch vaak buiten zit en het op pumps van Jimmy Choo zo lastig lopen is op het strand.
Hoewel een journalist natuurlijk geacht wordt bovenop het nieuws te zitten, verlang ik soms terug naar de tijd dat je in een verlaten Frans dorp alleen nog de krant van gisteren kon kopen (en dan ook nog de foute). Het tijdsverloop relativeerde de schreeuwende koppen. Misschien dat het daarom komt dat ik deze dagen met meer relativering de kranten heb gelezen, wat me gelukkiger maakte; op Aruba is het zes uur vroeger dan in Nederland. Alles wat daar gebeurt, is hier nog altijd mogelijk.

blog-week 12

De nullijn

Week 12

Hij zou er binnen een half uur zijn, beloofde de telefoniste van het slotenbedrijf ’s ochtends om half tien. Twaalf uur later was het slot inderdaad gemaakt. ‘Een drukke dag, mevrouw.’ De monteur verontschuldigde zich voor de vertraging. Hij was al vanaf 7 uur die ochtend aan het werk, ik was de laatste klant. Een hardwerkende Nederlander. Hij heette Mohamed.

Het was Goede Vrijdag. Mijn man en ik zaten op de bank voor de televisie een glas wijn te drinken. In plaats van Twee voor twaalf keken we naar de Mattheüs passion, semi-live uitgezonden vanuit de Grote Kerk in Naarden. We zagen de premier zitten, en nog veel andere mensen die we belangrijk plegen te noemen, succesvol, topdogs. De recht gerugde houten stoelen in de kerk oogden verre van comfortabel. Rutte luisterde intens naar de uitvoering van de Nederlandse Bachvereniging. Een vrouw die verderop in dezelfde rij zat, keek vooral naar Rutte.
De dag ervoor was The Passion uitgezonden, live vanuit de Bijlmer. Oud-journaal lezeres Noraly Beyer nam de rol van verteller op zich. Zelf woonde ze al 33 jaar in de Bijlmer, vertelde ze trots. Ruim 3,5 miljoen kijkers zagen hoe het glanzende kruis door de getergde buurt werd gedragen. Naar de barokke variant van het lijdensverhaal van Christus die in 1727 voor het eerst werd uitgevoerd, keken op Goede Vrijdag 313.000 mensen. Een daarvan was ik. Ik heb het koorwerk jaren zelf gezongen.
De monteur liep heen en weer door de woonkamer, op zoek naar gereedschap. Op de trap naar boven hield hij even stil. ‘Waar luistert u naar?’ vroeg hij belangstellend, kijkend door de spleet van de treden.
‘Dat is de Mattheüs passion van Johan Sebastiaan Bach,’ antwoordde ik.‘Nooit van gehoord,’ reageerde de monteur.  ‘Maar het is prachtig. Ik word er helemaal rustig van.’
Zelf had ik nog nooit van Tommy Christiaan gehoord, de zanger die in The passion de rol van Jezus zong. Ook niet van de andere zangers trouwens.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau bracht onlangs een rapport uit dat Gescheiden werelden heet. De gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart bevestigden het beeld dat het SCP in dit rapport schetst. Hoger- en lager opgeleiden, wit en zwart, gelovig en ongelovig, stad en platteland, we leven in steeds gescheidener werelden, met eigen helden en hoogwaardigheidsbekleders, en eigen angsten voor de anderen. We willen horen bij wie we herkennen, de vrouw op de eerste rij van de Grote Kerk in Naarden en de huilende bewoners van de Bijlmer. Tegelijk zetten we ons af tegen dat wat ons vreemd is. Wie donderdag naar The passion keek, luisterde vrijdag niet naar Bach.
Toch was het precies hetzelfde verhaal dat twee avonden achter elkaar op televisie werd vertolkt. Een verhaal over lijden, liefhebben, leven, iets wat we allemaal doen. Een verhaal over het verlangen groter te zijn dan de cirkel die we rond onszelf hebben getrokken.

Bij de deur gaf de monteur mij een hand. Zijn dag zat erop. ‘Het is vandaag een feestdag, maar die krijgt u van mij,’ zei hij terwijl hij de rekening opmaakte en het meerwerk voor de bijzondere dag wegstreepte. ‘Weet u welke dag het vandaag is?’ wilde ik vragen. Ik deed het niet.

blog-week 11

De nullijn

Week 11

Zijn. Op het moment dat je wordt geboren, moet je je ertoe verhouden. Er zijn. Iemand zijn. Een ander te midden van anderen.
Sommige mensen gaat dat goed af. Al op het schoolplein tekent zich die gave af. Kinderen die als vanzelfsprekend hun plaats in de groep opeisen, of juist eigenstandig hun eigen weg gaan zonder zich te veel van de anderen aan te trekken. Eigenstandig vind ik een mooi woord. Het is een vermogen op jezelf te staan. Alsof je jezelf eigen bent. Zelfstandig is wat anders. Dan kun je het alleen, het als in leren, werken, leven. Zelfstandig heeft anderen nodig, als tegenwicht. Eigenstandig heeft aan zichzelf genoeg.
Ik ken mensen die niet genoeg hebben aan zichzelf. Niet omdat ze meer willen zijn, maar omdat ze zich minder voelen dan wie ze zijn. Veel van deze mensen functioneren ogenschijnlijk zoals we dat hebben afgesproken. Ze zorgen voor hun man, vrouw, vrienden of vriendinnen, ze bekommeren zich over hun eigen of andermans kinderen, ze werken (vaak hard) en ontmoeten collega’s, ze organiseren feestjes, sporten, koken en heffen het glas. Maar ongeacht de warmte die ze uitstralen, het succes dat ze boeken of het talent dat ze tentoonspreiden, van binnen voelen ze zich niet goed genoeg. Alsof ze zichzelf permanent in de uitverkoop hebben gedaan, omdat ze minder waard(ig) zouden zijn. En hoe hard ze ook werken, dat holle gevoel verdwijnt zelden. De echo van dat gevoel is het verlangen niet te zijn.
Niet zijn is iets anders dan de dood. Wie wil verdwijnen, is niet per definitie suïcidaal. Het is eerder een gebrek aan houvast, alsof de wortels ontbreken die de boom voeden en staande houden. En hoe hard de therapeut ook roept dat iedereen er mag zijn, hoe luid het applaus ook klinkt, je groeit er geen wortels mee die stevigheid geven. Bij mensen die hun eigen waardigheid zo moeilijk weten te bevechten, groeien de wortels eerder uit hun hoofd. Hun vaak dwingende gedachten grijpen als tentakels naar de lucht. Maar de wolken zijn ongrijpbaar. Zij wortelen nooit.
In het Boeddhisme, dat ik in het kader van mijn nieuwe studie momenteer bestudeer, geldt het niet zijn als het hoogst haalbare. Verlost van het eeuwigdurend lijden en de voortdurende incarnatie van de levensdorst. Dat is de paradox van ons bestaan: gezien willen worden en tegelijk niet zijn. Onzichtbaar worden geheeld. Een diep verlangen om, gespeend van houvast, vastgehouden te worden.

blog-week 10

De nullijn

Week 10

Door de ophef over de voorgenomen en inmiddels weer ingetrokken salarisverhoging van de topman van ING, Hamers, dacht ik terug aan een interview dat ik in 2001 had met de oud-topman van Shell, Cor Herkströter. Herkströter was de eerste CEO wiens salaris werd gepubliceerd; in 1997 verdiende hij 3,3 miljoen gulden. Dat vonden mensen destijds ook best veel.
Het interview was onderdeel van een serie voor dagblad Trouw en heette “de Mammon”. Ik sprak met mensen die heel veel geld hadden, zoals landgoedeigenaar Dolf van der Weij, en met mensen die heel weinig verdienden, zoals de dichteres Hagar Peeters. Mammon, geld, heeft dezelfde stam als het woord amen. Beiden voeren terug op het woord vertrouwen.
Zeventien jaar na het verschijnen van deze serie – de financiële crisis van 2008 moest toen nog komen – lijkt de discussie over de beloning van al dan niet met het prefix “top” getypeerde bestuurders onveranderd. In 2001 merkte Herkströter bijvoorbeeld op: ‘Wil je mensen gemotiveerd houden, dan moeten ze zich wel enigermate kunnen vergelijken met hun buitenlandse collega’s – met een nadruk op enigermate. Want je wordt bij wijze van spreken, als je daar gevoelig voor bent, wel uitgelachen, hoor. Je bent wel een enorme sukkel als je met zo’n inkomen genoegen neemt.’ President-commissaris Jeroen van der Veer, ook oud-Shell, had het zomaar gezegd kunnen hebben.
Zelf ben ik dichteres. Dichters kunnen niet leven van hun woorden. Toch prijken hun zinnen boven rouwadvertenties en citeren mensen hun verzen bij huwelijksfeesten of geboortes. Poëzie heeft een niet in geld uit te drukken waarde. Dat blijkt ook telkens als ik mensen uit het zakenleven ontmoet die erachter komen dat ik romans en gedichten schrijf. Dat vinden ze mooi. Er hangt iets van eeuwigheid omheen, iets onstoffelijks waarnaar veel mensen blijkbaar verlangen. Maar ja, het tweede huis in Toscane betaal je er niet van. Dichten is vooral goed voor de dood.
Al sinds ik de serie voor Trouw schreef, vraag ik mij af hoe mannen als Van der Veer en Hamers ’s ochtends opstaan. Hoe zij in de spiegel kijken. Hoe zij elkaar ontmoetten, in vergaderzalen en op golfcourts, en hoe zij elkaar vervolgens geruststellen, dat ze echt geen sukkels zijn, dat het volk het niet begrijpt, dat zij global denken en geen provincialen zijn. Ongetwijfeld zullen zij ervan overtuigd zijn dat ze het persoonlijk waard zijn, die miljoenen. Anders zouden ze toch aan hun eigen schaamte ten onder gaan.
Herkströter zei in 2001: ‘Een inkomen moet afgezet worden tegen de verantwoordelijkheid die iemand draagt.’ In dat licht lijkt het me gepast dat Shell en ING vanaf vandaag gezamenlijk een potje reserveren om het inkomen van basisschool-leraren aan te vullen. In Noord-Holland staken zij vandaag, omdat ze heel veel verantwoordelijkheid dragen voor heel weinig geld. Gemiddeld ligt het inkomen van een ervaren leraar op de basisschool rond de 45.000 euro. Daarvan kunnen zij geen tweede huis in Toscane kopen, maar helaas ook geen eerste huis in een stad als Amsterdam.
Geld, zo ontdekte Herkströter, is een allesbepalende factor voor ondernemers. Maar er zijn waarden die je ook een rol moet laten spelen, zei hij tegen mij. Voor mensen als Van der Veer lijkt dat vooral eigenwaarde te zijn. Voor mij is dat de waarde van het woord. En er is maar een vrouw die mij die waarde leerde: mijn juf Wiggers van de lagere school.

blog-week 9

De nullijn

Week 9

Hij is opgenomen, de autistische man die bijna een maand geleden werd geschorst uit zijn beschermde woonvorm en op straat terechtkwam. De gemeentelijke organisatie die verantwoordelijk is voor beschermd wonen nam contact op met een behandelaar van de GGz en via moeder wist ik waar de man te vinden was. De behandelaar ging met toestemming van moeder naar haar huis en nam de man op vrijwillige basis mee naar een kliniek met plek voor crisisopnames. Daar bleef hij slapen.
De volgende dag wilde hij weg. Maar omdat hij inmiddels behoorlijk zware kenmerken van een psychose vertoonde, belde de psychiater naar moeder. Of ze het een goed idee vond dat hij gedwongen zou worden opgenomen. Zodat hij niet weer op straat terecht kwam. Dat vond zij een goed idee.
Op grond van de huidige wetgeving – de BOPZ – heeft moeder niets over haar zoon te zeggen. Ik vrees dan ook de advocaat die de man, overigens terecht, ter zijde zal staan. Er zijn namelijk advocaten die vinden dat psychiatrische patiënten het volste recht hebben om op straat te zwerven als ze dat willen. Die vinden dat niemand tegen zijn zin mag worden opgenomen, laat staan gedwongen behandeld. Van het woord bestwil gaan zij gruwen. Bestwil ruikt naar beter weten en dat is iets van heel lang geleden, toen we het nog over krankzinnigen hadden en iedereen zomaar kon worden platgespoten.
Wie weet het beter dan deze moeder? Zij heeft haar zoon de laatste tien jaar achteruit zien gaan. Zij heeft ervoor gezorgd dat hij na jaren getob en getouwtrek werd gediagnosticeerd en een beschermde plaats kreeg om te wonen. Zij was het ook die merkte dat hij stemmen ging horen. Hij gelooft niet dat zij zijn moeder is, omdat ze een oudere vrouw is. Zijn moeder is jong, zegt hij. Hij gelooft ook niet dat zijn vader dood is. Hij leeft alsof hij dertig jaar terug is in de tijd. Moeder drong er om die reden al jaren bij de begeleiders op aan meer zorg te bieden aan haar zoon. Maar daar ging zij niet over, zeiden zij.
In de nieuwe wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg die de Eerste Kamer inmiddels heeft aangenomen, krijgt de familie een duidelijker positie bij de behandeling van psychiatrische patiënten. De psychiater die zaterdag moeder belde om haar advies te vragen, liep op deze wet vooruit. Waar veertig jaar geleden moeders van psychotische kinderen nog werd verweten dat hun kinderen ziek waren geworden door hun kille opvoeding – deze moeders werden ijskastmoeders genoemd – dringt nu weer langzaam het besef door dat we het zonder familie niet redden. We zijn geen los zwevende individuen die het allemaal zelf kunnen uitvogelen in deze maatschappij en op eigen kracht het leven vorm kunnen geven. Velen van ons zijn overgeleverd aan de zorg en oprechte bemoeienis van vaders, moeders, broers, zussen, oppassen, buurvrouwen, vrienden en vriendinnen. Zelf liep ik afgelopen zondag nog met mijn broer langs het smeltende ijs op de grachten. Mijn zus heeft mij de afgelopen maanden intensief bijgestaan in mijn persoonlijke geworstel. Vandaag zou mijn schoonmoeder 85 jaar oud zijn geworden en over vijf dagen is het de geboortedag van mijn moeder die al zeventien jaar dood is. Ik mis hen.

blog-week 8

De nullijn

Week 8

Trier is een van de oudste steden van Europa. Trekpleisters zijn onder andere de Porta Negra, een stadspoort van 2000 jaar oud en de Dom waar een prachtig gerestaureerd orgel hangt. Trier is ook de geboortestad van Karl Marx, schrijver van onder andere Het Kapitaal dat als een van de oerboeken van het communisme wordt beschouwd.
In de tijd van Marx gold Trier als een kosmopolitische stad, omdat ze lange tijd tot het Franse Keizerrijk had behoord en kon bogen op een oude geschiedenis van Romeinen en bisschoppen. Maar aan het begin van de negentiende eeuw viel de wijnoogst van het Moezelgebied tegen en woei er een gure economische wind. Het schijnt dat een kwart van de bevolking destijds van de armensteun leefde wat het sluimerende socialistische vuur alleen maar aanwakkerde.
Ook afgelopen zondag was het guur in Trier. Het vroor, de wind snerpte tussen de blokkendozen nieuwbouwpanden achter het oude stadscentrum. Op de hoek van een plein hing een bord waarop stond dat hier vroeger de oude synagoge had gestaan die tijdens de pogromnacht in november 1938 door de nationaalsocialisten met de grond gelijk was gemaakt. Op straat was het uitgestorven. Een enkele toerist maakte een selfie voor de zwartgeblakerde Romeinse muur, een oude non vond haar weg naar de Onze Lieve Vrouwenkerk. De winkels waren gesloten, evenals het Karl Marx museum. Er waren slechts twee winkels open: de erotische seksshop tegenover de parkeergarage en een in sportvisserij en jacht gespecialiseerde wapenhandelaar die de naam Waffen Wagner droeg. Ik moest aan de Ring des Nibelungen denken, de operacyclus van Richard Wagner waarin het wemelt van onderkruipsels, valse liefde en machtswellust.
Dat is wat de grote politieke idealen van de twintigste eeuw ons hebben nagelaten op een koude zondagochtend in een van de oudste steden van Europa. Seks en wapens.

blog-Week 7

De nullijn

Week 7

Ze heeft verzwegen dat ze hem eten brengt, al jarenlang, elke maandagavond. Niemand hoeft te weten dat haar oudste zoon nog steeds van haar afhankelijk is, al woont hij sinds een aantal jaar in een beschermde woonvorm voor mensen die last hebben van autisme. Het liefst was ze tot haar dood voor hem blijven zorgen, maar hij keerde zich van haar af. Hij was volwassen, zei hij, hij zorgde liever voor zichzelf.
Uiteindelijk moest ze hem laten gaan. Ze zocht en vond een organisatie waar volwassen mannen met zijn problematiek konden wonen. Een kamer, een gedeelde keuken, enige zorg in de vorm van een woonbegeleider die nooit lang in dienst bleef. Het verloop van personeel in de geestelijke gezondheidszorg is al jarenlang schrikbarend groot. Het gebrek aan psychiaters in instellingen is nijpend. Het aantal suïcides stijgt. Het aantal bedden in instellingen is sinds 2014 met een derde afgebouwd. We zijn allemaal volwassen, we zorgen allemaal voor onszelf.
Als meisje van zeven ging ik met mijn vader regelmatig naar het psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkte. Hij was directeur-geneesheer van Franciscushof in Raalte dat in 2009 werd afgebroken. Ik schreef er het boek Raarhoek over. Sindsdien houd ik de ontwikkelingen in de GGZ in de gaten. De beddenreductie van minister Schippers. De waarschuwende geluiden van instellingspsychiaters. De afschuw van de administratieve rompslomp die toepasselijk genoeg ROM heet; routine outcome monitoring om te kijken of het allemaal een beetje helpt, die behandeling.
Voor haar zoon helpt voorlopig niets. Na een incident met de zoveelste woonbegeleider is hij op straat gezet. Ze hoorde het maandagavond, toen ze zijn eten kwam brengen. Hij zwierf toen al vijf dagen op straat. De directeur van de instelling vertelt haar niets. Hij is volwassen, zegt hij, hij zorgt liever voor zichzelf. Zij fietst sindsdien de hele stad door om te kijken waar hij is. Een verwarde man. Haar zoon.

blog-Week 6

De nullijn

Week 6

Dus er is gelogen. Daar begint het mee. Daarna is er de schaamte.
Schaamte schuurt. Schaamte holt van binnen uit. Het is de vijand die in je hoofd huist, die je gedachten belaagt, ’s nachts vooral, als de angst voor ontmaskering bezit neemt van de ziel. Wie op kan staan, drukt het weg, dat ondermijnende gevoel een leugenaar te zijn. Liegen is het overlevingsinstinct tegen de zelfhaat. Wie maar lang genoeg herhaalt dat het niet is gebeurd, dat het niet waar is, dat het allemaal anders was, dat het niet erg is of dat de leugen een hoger doel diende, drukt de pijn van de schaamte weg. Minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra weet hoe dat voelt.

Het is wel gebeurd. Het is wel waar. Het was niet anders. Het is wel erg. De leugen dient nooit een hoger doel.

Liegen is liegen. We doen het allemaal. Als iedereen elkaar de hele dag de waarheid zou vertellen, zouden we leven in een hel van kakofonische verwijten. Soms, als ik de kranten tot mij neem of die enkele keer toch Twitter raadpleeg, denk ik dat we al in die hel zijn beland. Ik, die zo op zoek was naar de waarheid, verlang steeds vaker naar de leugen. Ik begrijp steeds beter de mensen wier levens ik beschrijf en die zich in hun verhalen overgeven aan de diepe drang anders te hebben geleefd, zonder die depressies, zonder dat overspel, zonder dat faillissement, zonder die familieconflicten, zonder de dood ook vooral. De mensen wier levens ik beschrijf, willen hun leven liever liegen dan ervaren dat ze hebben geleefd.

Maar soms is er het verlangen van de schaamte te worden verlost. Te worden tentoongesteld als de leugenaar, de overspelige, degene die je nooit hoopte te worden, maar altijd al dacht te zijn. Niemand. Niks.

De angst te worden ontmaskerd kan zo groot worden dat ze tot verlangen groeit. Dat is de reden dat de biecht ooit is bedacht. En de literatuur.

blog-Week 5

De nullijn

Week 5

Dublin is een stad van dichters. James Joyce, de schrijver van het even briljante als onbegrijpelijk Ulysses, wordt er op elke straathoek geëerd, het portret van Oscar Wilde, de schrijvende dandy van onder andere The picture of Dorian Gray, ligt te koop in elke souvenirshop. De toneelschrijver en socialist George Bernard Shaw werd er geboren, een van de bruggen over de rivier de Liffey heet de Samuel Beckett brug, en in de ‘bookstore’ van het ‘Dublin writersmuseum’ kan je voor 5,99 euro de verzamelde gedichten van William Butler Yeats kopen. Wat ik deed.
De stem op de audiotour die ik voor de gelegenheid beluisterde, vertelde over Yeats’ grote liefde, Maud Gonne, wie hij meer dan dertig jaar begeerde en wie hij zeker vier keer ten huwelijk vroeg. Vergeefs. Gonne wees hem telkens af, maar troostte hem met de woorden dat zijn verlangen naar haar zijn poëzie alleen maar voedde. Geen liefde zo wreed of zij hongert naar woorden. Wie alleen maar gelukkig is, schrijft zelden een gedicht.
Is dat de reden dat de literatuur het aflegt tegen de series van Netflix en de miljoenen berichten op sociale media? Heeft de dwingende geluksindustrie die de millenials tot uitputting drijft het licht van het onvervulde gedoofd, het verlangen ingeruild voor de opdracht elk gedroomd doel te moeten bereiken? ‘Het is bijna een plicht om gelukkig te zijn,’ zei de Nederlandse dichter Menno Wigman in 2014 in een interview in Vrij Nederland. ‘Dat is dodelijk voor de mensen die het niet zijn.’

Wigman stierf, 51 jaar oud, op donderdag 1 februari 2018. Terwijl ik door Dublin zwierf, liep mijn tijdlijn vol met zijn poëzie. Slordig met geluk heet zijn laatste bundel die nog werd genomineerd voor de Ida Gerhardtprijs. Ik ben even oud als Wigman en lang niet zo getalenteerd als dichter. Ik heb minder gedronken dan hij en veel meer was gevouwen. Maar zijn gedichten herlezend, realiseerde ik me dat ook ik het vaak ben geweest, slordig met geluk. Op zoek naar meer erkenning, betekenis, succes, het volgende, de ander, het elders. One can survive everything, nowadays, except death, and live down everything except a good reputation, citeerde de stem op de audiotour een van Wilde’s bekendste quotes. Ik dacht aan Menno Wigman en zijn veel te vroege dood en ik keek naar de man met wie ik door het leven loop en ik hoorde Molly Bloom fluisteren (…) and first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume yes and his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes.

               

blog – Week 4

De nullijn

Week 4 

               Traditie is niet het aanbidden van as, maar het doorgeven van vuur

In haar woonkamer tikt de tijd. Aan de muur hangen wel zes massieve Friese klokken. In de glazen vitrine staan tientallen wekkers, uurwerken en pendules. Als kind was ze al gefascineerd door de tijd, zegt ze. Ze kon ademloos naar de wijzers van de staartklok kijken die in haar ouderlijk huis hing. Nee, zegt ze, die klok hangt hier niet. Die heeft haar zuster meegenomen. In haar stem echoot weemoed.
Dit jaar wordt ze tachtig. Zij kan het dus weten, dat het vroeger echt beter was. Toen er nog geen zes Macedoniërs boven haar hoofd woonden. Toen er nog een slager, een smid en twee bakkers in het dorp zaten. Toen de huizen nog bestonden uit een beneden- en een bovenwoning en je die gewoon kon huren. Nu staan ze voor negen ton te koop. Aan de overkant van het water wordt een heel nieuwe villawijk gebouwd. Hoe ze dat vindt, vraag ik. ‘Heel erg,’ zegt zij.
Hoewel geen geboren Amsterdamse – ze komt uit Uithoorn – bracht ze een halve eeuw door in de Wetbuurt, waar ik nu tien jaar woon. In mijn huis kreeg ze twee kinderen met een man die haar eerst bedroog en daarna verliet. Daarna verhuisde ze naar het huis van de buren. Ze hertrouwde, maar haar tweede man overleed te snel, te vroeg, te jong. De tijd haalde haar in, ook toen al.
Gisteravond, nadat ik bij mijn buurvrouw koffie had gedronken, bezocht ik met mijn oudste dochter een bijeenkomst in de stadsschouwburg van Amsterdam. Het debat ging over identiteit en nationalisme en heette geheel in stijl met de dominante verengelsing van het openbare leven the sign of the times. Femke Halsema, oud-voorvrouw van Groenlinks, ging in gesprek met Thierry Baudet, voorman van Forum voor Democratie. Tussendoor droegen acteurs van Toneelgroep Amsterdam teksten voor van grote denkers en schrijvers uit vroegere tijden. Shakespeare, Schiller.

De zaal zat vol. De zaal was jong. De zaal was wit.
In mijn hoofd hoorde ik de klokken van mijn buurvrouw slaan.

blog – Week 3

De nullijn

Week 3 

Oud nieuws. Steeds minder jongeren lezen. Slechts veertig procent van alle tieners leest tien minuten aaneengesloten per week. PER WEEK.
Ik probeer de tijd in taal te vangen. Hoeveel woorden kan ik in tien minuten stoppen? Hoeveel voetnoten van Arnon Grunberg zijn dat? Een sprookje van Godfried Bomans zoals De vijvervrouw, dat ik vroeger aan mijn dochters voorlas, hoe lang duurde dat eigenlijk? Of De zoon van de woordbouwer van de inmiddels vergeten schrijver Frank Herzen, met van die heel kleine letters en zinnen die soms wel vier regels lang waren?
Nijntje, dat ging snel. Misschien dat het iconische knaagdier van tekenaar Dick Bruna daarom kans maakt het pronkstuk van Nederland te worden. Eenvoud en snelheid zijn kenmerkend voor onze huidige identiteit waar we allemaal zo naarstig naar op zoek zijn. Bruna was ook in dat opzicht een visionair.

Net als mijn geboorteland zoek ik opnieuw mijn identiteit. Het is de reden dat ik de nullijn schrijf. Als toetssteen van de tijd. Ik wilde als kind al schrijver worden. Ik schreef mijn eerste dagboek toen ik 11 was en adresseerde mijn brieven aan Anne Frank die immers ook schrijfster wilde worden. Zij, en dat ene zinnetje dat mij als puber naar de journalistiek dreef, stuurden mijn ambities. Wir haben es nicht gewußt. Ik wilde schrijven, opdat nooit meer iemand kon zeggen dat hij het niet wist. Hij had het geweten kunnen hebben, daar ging het om.
Inmiddels is het gebruikelijk dat nieuwssites boven een artikel zetten hoe lang het duurt om het te lezen. 9 minuten, dat lukt nog net. Meer dan 10 minuten is te lang geworden. Bewegende beelden vervangen het geschreven woord. Een filmpje van enkele minuten zegt meer dan een verhaal van 2400 woorden. Dat niet erg, hoor ik mijzelf fluisteren. Het geschreven woord heeft niet het alleenrecht op de waarheid.

Morgen spreekt Maarten Asscher in de Aula Lutherse Kerk. Hij neemt afscheid als directeur van Atheneum Boekhandel. De boekhandel op het Spui waar eens de provo’s dansten om het Lieverdje. Het woord is dood, lang leve het woord, is de titel van zijn afscheidssymposium. Ik zal erbij zijn. Lang leve Nijntje.

blog – Week 2

De nullijn

Week 2 

In een rotsvast vertrouwen dat ze Jezus zal ontmoeten, wacht tante op de dood. 95 is ze. Ze leest Geert Mak en Jan Siebelink, kijkt graag naar De slimste mens, noemt Donald Trump ‘een varken’ en heeft het over ‘roomsen’ als het om de buren gaat. Vijftig was ze toen haar man stierf, met wie ze een dochter heeft. Die ziet ze nooit meer. De dochter heeft na een lange reeks psychiatrische opnamen het contact met haar moeder verbroken. Het is zo lang geleden dat zelfs de herinnering niet meer wringt. Tante citeert uit het evangelie van Johannes, de parabel van Jezus en de overspelige vrouw. ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

God sterft uit. Met elke tante die hij opneemt in Zijn heerlijkheid verdwijnt Hij verder achter de horizon die mijn familiegeschiedenis tekent. In minder dan drie generaties is de Heere der heerscharen failliet verklaard zonder dat de mogelijkheden van een doorstart zijn onderzocht. De vanzelfsprekendheid waarmee mijn ouders in hun liefdesbrieven nog over Zijn genade schreven – ze hoopten op een groot gezin – is in een halve eeuw verpulverd tot het stof dat altijd al een dreigend toekomstperspectief was voor gelovigen. Denn alles fleisch es ist wie gras.
Met de kracht van het nu heeft het hiernamaals aan aantrekkingskracht ingeboet. Maar naarmate ik zelf ouder word, verschijnen op mijn tijdlijn steeds meer herinneringen aan de schepping. Weilanden gehuld in mist, regenbogen boven de Amstel, wolkenluchten zoals alleen Hollandse schilders die weten te vangen. De techniek van de troost mag dan onherkenbaar veranderd zijn de afgelopen vijftig jaar, het verlangen ernaar blijkt onveranderlijk.

Tastend naar verzoening met de breuklijn in mijn eigen leven, zal ik tante gedenken, mocht de Heer zo genadig zijn haar dit jaar nog naar huis te halen. Want van haar komt de kracht en de eerlijkheid, tot in eeuwigheid.

 

blog – Week 1

De nullijn

Week 1 

Al het begin is een herhaling. Ik ben als eerste wakker. De koffie smaakt als gisteren. Facebook herinnert mij aan de tijd. Vier jaar geleden postte ik dit bericht naar aanleiding van de verschijning van mijn eerste roman.

Lieve vrienden, dank voor al jullie lieve berichten op mijn verjaardag. Ik heb dertien dagen mijn computer niet geopend, 30 afleveringen Downton Abbey gekeken (een aanrader), met onze dochters op het graf van mijn zusje Anneke gestaan waarop de woorden Gloria in excelsis Deo staan, en mij dankbaar gerealiseerd dat ‘schrijven een uitstekend middel is tegen de gevolgen van het vergeten’ zoals (geparafraseerd) Alain de Botton en John Armstrong schrijven in hun prachtige boek Kunst als therapie. En dat is het: muziek, beelden en – voor mij – schrijven zijn een manier om structuur te geven aan het onbenoembare, de ‘dingen’ die we vroeger God noemden, of kunst, of liefde. De dingen dus. Heb een rijk en oprecht 2014.

Ik was 47 geworden. Nu ben ik 51.

Ik ruim, als altijd op 1 januari, de kerstboom op. Alsof de geur van stervend hars de opmaat tot het nieuwe jaar belemmert. Ik verschuif de piano die al jaren onder de trap staat en daardoor gewond is geraakt. Het gruis van de schoenen van de kinderen heeft zich in de flanken van het hout gekerfd. Kinderen die zich naar boven spoeden, naar eigen kamers en eigen beloftes, their rooms of their own.
Ik verwacht dat ik over de helft van mijn leven ben. Ik heb ruim 25 jaar gewerkt als journalist en schrijver, het beste middel tegen het vergeten. In die kwart eeuw is het woord beeld geworden; Instagram is het archief van de moderne tijd. Ik post een foto van een babysokje. Ik krijg vier likes.
Ik sta op de nullijn van mijn leven. Alles kan opnieuw beginnen, zoals het begon toen ik 25 was. Het grote verschil zijn de drie vrouwen die ik mijn dochters noem en die ik langzaam laat vieren, als de schoot van het schip.
Het schip werd schoot wordt schip.