2018

blog-week 23

De nullijn

Week 23

Omdat de zomer zo genadig blijft branden en alle ramen in de straat openstaan, kan ik de finale van het WK voetbal volgen zonder televisie te kijken. De laatste keer dat Nederland in de finale stond – in 2010 – keek ik evenmin. Ik zat destijds driehoog op het balkon van de beste vriend van mijn man en keek naar de binnentuin beneden. Te bevangen door de spanning, zoals mijn vader dat ook was in 1974, toen we bij vrienden in Meppel naar de wedstrijd tegen Duitsland keken. Ik was toen nog geen acht jaar oud, mijn jongste zusje was nog geen jaar dood.
In 1978 keken we en famille op vakantie in een café in Frankrijk, waar wij als Nederlanders met gejuich werden ontvangen. Jorge Videla was in Argentinië aan de macht en van Jorge Zorreguieta had nog niemand gehoord. Zijn jongste dochter Ines was nog niet geboren (maar inmiddels wel gestorven) en dat zijn dochter Maxima onze koningin zou worden, had niemand voor mogelijk gehouden, het “bloed aan de paal” van Bram & Freek indachtig.
Mijn man en mijn jongste dochter kijken nu weer naar de finale van een WK voetbal, bij diezelfde, nog steeds beste vriend die inmiddels bij ons om de hoek woont. Ik volg de wedstrijd in onze eigen binnentuin, zonder beelden, op de golven van het geluid. Ik weet niet wie juicht voor wie. Mijn dochter is voor Kroatië, omdat ze het leuk vindt dat een onbekend klein landje met 4,5 miljoen inwoners kan winnen van een oude koloniale supermacht. Dat Luka Modric op Johan Cruijff lijkt, helpt ook.
Dat Kroatië in de Tweede Wereldoorlog een fascistische vazalstaat van Duitsland en Italië was waar in diverse concentratiekampen Joden en zigeuners werden omgebracht, is in deze negentig minuten geen nieuws. Dat de mannen die nu op het veld staan als kinderen moesten vluchten voor het oorlogsgeweld in de onafhankelijkheidsstrijd van de jaren negentig, doet de hoop op een overwinning in Moskou alleen maar opflakkeren. Alle schaduw van de geschiedenis kan teniet worden gedaan in het licht van de zon die nu schijnt.
De beste vriend van mijn man is niet vanzelfsprekend mijn beste vriend geworden. Hij heeft ooit eens iets onaardigs gezegd over de ogen van Eva Jinek, ik werd daar als jonge moeder van drie dochters heel boos over, en sindsdien knikken we beleefd naar elkaar. Mijn man heeft jaren later in het huis van deze beste vriend iemand ontmoet met wie hij bevriend raakte op een manier die mij voor even buiten sloot. Nu schijnt de zon in onze binnentuin en plant ik twee kersenbomen, terwijl een paar huizen verderop mijn dochter haar adem inhoudt. Laat Modric scoren. En als Nederland over vier jaar weer meespeelt op een nieuw WK, bloeien de kersen. Dan kijken we met z’n allen.

blog-week 22

De nullijn

Week 22

In 2000 verscheen in dagblad Trouw de interviewserie ‘Kind van de wederopbouw’. In de serie beantwoordden twaalf meer en minder bekende Nederlanders – en een enkele Duitser – de vraag in hoeverre de oorlog, die ze geen van allen zelf hadden meegemaakt, hun mensenbeeld, zelfvertrouwen en arbeidsopvatting had gekleurd. Het zijn de beste interviews uit mijn carrière. Dat kwam door het onderwerp en de geïnterviewden, onder wie Job Cohen en zijn broer Floris, de inmiddels overleden Saskia Stuiveling en schrijfster Tessa de Loo – maar het kwam ook door de stand van de journalistiek. Er was tijd om mensen in vaak meerdere sessies een paar uur te spreken en er was ruimte om wat ze zeiden in 2000 tot 3000 woorden op te schrijven. Slechts bij een van de geïnterviewden was gedurende het gesprek een woordvoerder aanwezig, alle anderen ontvingen mij hetzij bij hen thuis, hetzij op hun werkkamer waar in sommige gevallen nog flink werd gerookt (Stuiveling, De Wijkerslooth de Weerdestijn).
Sindsdien is er veel veranderd in de (geschreven) journalistiek. Interviews moeten steeds korter en bij voorkeur afgepast in een format. 900 woorden is tegenwoordig vaak het maximum. Series worden van tevoren thematisch zo dichtgeplakt dat er weinig ruimte is voor een ander geluid. Ook de lezer is voorgeprogrammeerd: veel week- en maandbladen hebben in hun redactieformule prototypen lezers beschreven, met namen, leeftijden en hobby’s, om zo tegemoet te komen aan de grootste gemene deler. Als een geïnterviewde vervolgens niet zegt wat van tevoren in de briefing is bepaald, geldt het stuk al snel als onbruikbaar. Zeker als iemand niet bereid lijkt te persoonlijk te worden. Want emotie, dat is echt een voorwaarde. Waar het stuk ook over gaat, het moet persoonlijk zijn en dicht op de huid zitten.
Opvallend genoeg heeft deze tendens geleid tot oppervlakkiger artikelen. In Kind van de wederopbouw kwam ik veel dichter op de huid van mijn gesprekspartners dan in welke geformatteerde serie dan ook. De opdracht vooral “persoonlijk” te worden in interviews, leidde de laatste jaren steeds vaker tot gecontroleerde afstand, zorgvuldig bewaakt door woordvoerders of, nog erger, marketeers. De mens als product moet in de markt worden gezet en daar heeft hij of zij soms nog een journalist voor nodig (al duurt ook dat niet lang meer). Journalistiek is handel in ijdelheid. Maar waar ooit oprechte belangstelling kon leiden tot fundamentele overwegingen over thema’s als het kwaad, of vergelding, of vergeving, of ethiek, en de lezer na lezing van het interview nog lang kon nadenken over wat hij er zelf eigenlijk van vond, gaat het tegenwoordig steeds vaker om makkelijk te verteren stukken met een leestijd van niet meer dan vijf tot zeven minuten die je ook weer snel kunt vergeten.
Er zijn uitzonderingen op de regel, natuurlijk. Carolina Lo Galbo – wat mij betreft de beste interviewer van Nederland – schreef onlangs bijvoorbeeld een prachtig interview met Max van Weezel in Vrij Nederland. Doorgaans zijn journalisten die journalisten interviewen heel vervelend, maar dit stuk gaf een diep inzicht in de worsteling van een heel zieke man, zijn verhouding tot zijn ouders, echtgenoot en dochter, de ontwikkeling van de naoorlogse parlementaire journalistiek in Nederland en de donkere echo van de oorlog die nog altijd weerklinkt.
Ik wilde journalist worden om zulke verhalen te vertellen. Om dezelfde reden trek ik mij nu langzaam uit het vak terug. Voor 400 euro en in 900 woorden kan ik niet de vragen stellen die er volgens mij toe doen. Daarom schrijf ik inmiddels fictie en daarom studeer ik met het doel geestelijk verzorger te worden. Om vragen stellen zonder format. (En overigens ook zonder G’d).

blog-week 21

De nullijn

Week 21

Ze zou 49 jaar zijn geworden. Anna. We vierden haar jubeljaar op de begraafplaats Westerveld in het Noord-Hollandse Driehuis. Het was prachtig zomerweer, de zon streelde de rouwvelden. ‘Zulk mooi weer was het ook toen ze werd geboren,’ herinnerde haar moeder zich. ‘Elk jaar nadien was het mooi weer op 26 juni.’
Ik leerde Anna kennen op de Universiteit van Amsterdam waar zij rechten studeerde, en ik ook. Hoewel we beiden wisten dat we nooit een toga zouden aantrekken, vonden we elkaar in de liefde voor het schrijven; we publiceerden in het faculteitsblad Alibi en zij schreef haar eerste feuilleton dat ‘Lot’ heette. Zo heet haar moeder ook. Later schreef Anna het boek De zondagsvrouw waarin ze verhaalt over de tumor die in haar hoofd groeit. Elf jaar liep ze er mee rond. De manier waarop zij haar ziekte onderdeel maakte van haar leven, beïnvloedde het mijne. Ze durfde hulp te vragen en liet mij dichtbij komen. Ik weet nog glashelder hoe we naar de bestraling in het Amsterdam VU ziekenhuis reden en zij bijna haar evenwicht verloor, waardoor we een rondedansje op de parkeerplaats maakten. Hoe ik haar uitkleedde en zij nog een opmerking over een of ander leuk jurkje kon maken. Hoe ze het masker opzette dat speciaal voor haar mooie ronde hoofd was gemaakt. Hoe ze iedereen van de afdeling oncologie bedankte na afloop van de bestraling.
Nog geen jaar voor haar dood trouwde Anna in de achtertuin van haar woning met R. Hij is het die elk jaar haar verjaardag viert tussen de urnen van Westerveld. Op hun huwelijk kwam de burgemeester langs, hij die luisterde naar de naam Eberhard. Hij vertelde het verhaal van een joodse man die vlak na de oorlog in New York werd aangesproken. Of hij niet happy was dat hij in de VS was ten tijde van de oorlog. Dat het toch fijn was dat Amerika hem gastvrij had opgevangen. ‘Yes, I’m happy,’ had de man geantwoord. ‘Aber glücklich bin ich nicht.’

blog-week 20

De nullijn

Week 20

De moeder de vrouw. Het thema van de komende Boekenweek maakt de tongen los. Schrijfsters en schrijvers tekenen een open brief aan het CPNB om hun ongenoegen kenbaar te maken over de keuze twee mannen het Boekenweekgeschenk en -essay te laten schrijven over hun moeders. Waarom geen schrijvende moeder zelf aan het woord laten? Waarom vrouwen reduceren tot die ene waarheid die hun identiteit al eeuwen bepaald, namelijk die van het moederschap?
Mijn man vindt de ophef onzin. Wat is er nou een mooier thema dan de moeder? Wie is er sterker, troostrijker, liefdevoller dan zij? Wie strekt meer tot voorbeeld dan die ene onvervangbare vrouw? ‘Jij doet toch religiewetenschappen?’ probeert hij zijn mening nog eens extra te beargumenteren. ‘In al die verhalen komt toch altijd weer de kracht van de vrouw aan bod, zij die het leven schenkt?’
‘In al die religies komt vooral naar voren dat vrouwen wereldwijd worden onderdrukt,’ reageer ik. ‘Ze moeten een pruik op, of een hoofddoek, of kinderen baren met grote smart, zoals in de Bijbel staat. Ze worden uitgehuwelijkt, als hoer geportretteerd, moeten met hun vader naar bed, of mogen alleen voor de kinderen zorgen.’
Daar had mijn man niet bij stilgestaan.
Het gesprek verried een diepgeworteld verschil tussen mannen en vrouwen en de discussie over identiteit die op dit moment zo fel wordt gevoerd. Het ligt namelijk niet aan de persoonlijke naïviteit van mijn man dat hij er zo over denkt. Mijn broer denkt precies zo over zijn moeder (die dus ook de mijne is). Veel mannen hebben een heel ander beeld bij het woord “moeder” dan vrouwen. Voor veel mannen is de moeder de ultieme vrouw. Voor veel vrouwen is zij de spiegel waar niemand te lang in wil kijken. Want moeders, weten wij vrouwen maar al te goed, doen het nooit goed.
Dat geldt zeker voor de schrijvende moeders onder ons. Op een enkele columnist na hebben wij geleerd ons moederschap vooral geen onderwerp van onze boeken te laten zijn. Want zodra je moeder bent, ben je voor de literatuur verloren. Een collega van mij kreeg het letterlijk te horen, nadat ze haar tweede kind had gebaard: “Nu krijg je nooit meer een prijs”. Dat ik mijn roman Gloria in excelsis Deo liet beginnen met een bevalling, deed de verkoopcijfers geen goed.
De ultieme moeder zet geen woorden op papier, maar bakt  brood. De ultieme moeder oefent liever Franse woordjes dan dat ze woedende gedichten kneedt. De ultieme moeder houdt het gezin drijvend, terwijl vaders vreemdgaan, te veel drinken, te hard werken, of ingewikkelde recensies schrijven over onbegrijpelijke boeken.
Ik draag mijn binnenkort verschijnende roman Echo op aan mijn moeder. Strafrechter. Moeder van zes.

blog-week 19

De nullijn

Week 19

Sporters worden er al op jonge leeftijd mee geconfronteerd. Afscheid moeten nemen van wat je lief is. Dat gebeurt zelden vrijwillig, maar de tijd en het lichaam zijn streng. Blessures, het verlies van conditie en concurrentie van meedogenloze jongere talenten dwingen tot het besef dat afscheid nemen bij het leven hoort als de dood.
Partir c’est mourir un peut, dichtte de Franse schrijver Edmond Haraucourt (1875-1941) in zijn Rondel de l’adieu, en zo is het. Afscheid nemen is een beetje sterven aan wat men lief heeft, on laisse un peu de soi-même / en toute heure et dans tout lieu. De sporter wiens lichaam het langzaam laat afweten, wordt tot het afscheid gedwongen, maar hoe zit het met het vrijwillig afscheid dat wij nemen van geliefden, collega’s, vrienden, een baan of een dierbare hobby? Waarom dwingen wij onszelf in het keurslijf van verandering als afscheid nemen zo pijnlijk kan zijn?
In mijn leven heb ik mij een paar keer bewust en vrijwillig losgescheurd van wat mij dierbaar was; in 1998 zegde ik – net moeder geworden – mijn vaste baan op als redacteur bij het ministerie van justitie, omdat ik de politieke en ambtelijke waarheid niet meer goed kon rijmen met wat ik met eigen ogen zag. Dit afscheid viel niet zwaar, maar betekende desondanks wel een stapje in de richting van de dood; mijn (financiële) zekerheden verdampten en de waarheid kwam niet dichterbij. Een tweede belangrijk afscheid was mijn vertrek van het kantoor De Wallenburg waar ik 15 jaar als freelancer had gewerkt. Ik hield van mijn collega’s die stuk voor stuk de drang naar vrijheid en eigenstandig denken verkozen boven een veiliger en eenduidiger bestaan. Toch liet ik los, om mijzelf opnieuw uit te vinden en het risico te lopen eenzamer te worden en juist daardoor weer creatiever. Het werkte; ik schreef een roman en een dichtbundel, werkte ruim een half jaar voor een onderzoeksinstituut dat een van de belangrijkste gebeurtenissen van de recente Nederlandse geschiedenis onderzocht, schreef opnieuw een boek over de geschiedenis van de psychiatrie. Maar ik mis mijn vrijzinnige collega’s nog altijd.
Dat gemis indachtig nam ik dit weekend opnieuw afscheid. Na in totaal vijftien jaar – met een onderbreking van zeven jaar – bij het vrouwenkoor Angels te hebben gezongen, besloot ik een paar weken geleden dat het tijd was om te gaan. Zo’n proces is even onomkeerbaar als verwarrend, want waarom afscheid nemen van wat je zoveel leert en liefde schenkt? Soms is het antwoord even schraal als waar: omdat het tijd is.
Ik zal altijd een Angel blijven. Maar na jaren in het volle licht op het podium te hebben gestaan, heb ik behoefte om minder zichtbaar te zijn. Vrouwen zijn erg op zoek naar verbinding, naar gezien worden en er mogen zijn. Mijn boeddhistische tentamen van volgende week indachtig wil ik een tijdje niet-zijn en opgaan in een verband dat groter is dan mijzelf. Daarom ben ik erg gelukkig dat ik per 1 september opnieuw ga zingen bij het Nederlands Concertkoor. Brahms, Beethoven, terug naar de bron. Wenn alle fleisch es is wie grass. En: alle Menschen werden Brüder.

blog-week 18

De nullijn

Week 18

Of ze met me mee mocht rijden, vroeg ze. Maaike. Ze kwam uit Wapserveen. ‘Daar woon ik in een leefgemeenschap.’ Ze verbouwde bijzondere groente en organiseerde af en toe een workshop. Duurzaam en zelfredzaam, dat waren haar woorden. Ze moest naar Utrecht. ‘Ik blijf een paar dagen bij een vriendin logeren. Het is wel heel afgelegen waar ik woon. De regiotaxi is afgeschaft. Soms mis ik de stad.’
Mijn vader nam ze altijd mee, lifters. Hij hield ervan met wildvreemde mensen op onverwachte momenten in de beslotenheid van een auto onderweg te zijn. De ontmoetingen waren zonder uitzondering bijzonder; een enkele lifter bleef zelfs bij ons slapen. Hun levensverhalen vulden de onze. Dat heet the comfort of strangers. Soms is het makkelijker tijdens een autorit van een uur met elkaar van gedachten te wisselen dan tijdens een avond met oude vrienden aan een lange tafel vol wijn en spijs.
Eigenlijk is het een metafoor van ons aller leven. We zijn onderweg, velen met een uitgestippeld doel voor ogen; een festival, een opleiding, hoge cijfers, veel vrienden, een baan, een relatie, een kind, een nieuwe baan, en nog een, een carrière, verre reizen, een pensioen, en ten slotte een waardig levenseinde. We vullen de kieren van ons bestaan met andere mensen die we kennen, die we vrienden noemen, of collega’s of familie. Zij bevestigen de richting die we hebben gekozen, het doel dat ons voor ogen staat. Of we kunnen ons juist tegen hen afzetten, om nieuwe doelen te bepalen en andere richtingen te kiezen.
Maar wat als er geen regiotaxi meer rijdt in jouw buurt en je op een anoniem tankstation bent aangewezen op mensen die toevallig richting Utrecht rijden?
Maaike had eerst een lift gekregen van een man die ex-militairen hielp met hun posttraumatische stress stoornis. Hij had het maar niks gevonden, zo’n meisje alleen onderweg. Zij deed het al jaren, zei ze. Ze had dwars door Europa en Israël gelift, altijd alleen. ‘Al liftend ontwikkel je een goede intuïtie.’
Vijfendertig was ze, al oogde ze tien jaar jonger. Ze geloofde in de natuur en hield van creatieve dingen, van schrijven en lezen. Ze noteerde de titels van boeken die ik noemde. Mijn eigen roman, Gloria in excelsis Deo die over de (on)mogelijkheid van maakbaarheid gaat. En het boek dat ik momenteel lees, Het einde van de eenzaamheid van de jonge Duitse schrijver Benedict Wells.
Ik vertelde dat ik Religiewetenschappen studeerde, omdat ik als journalist en schrijver mijn toekomst langzaam in de digitale beeldcultuur teloor zag gaan en graag nog lang en gelukkig aan het werk wilde blijven, ook al was ik inmiddels 51. ‘Ik wil leren hoe ik mensen kan helpen zich te verzoenen met hun levensverhaal’, formuleerde ik mijn nieuwe ambitie. ‘Als een soort dominee zonder God.’
Of ik geloofde in een leven na de dood, vroeg zij.
‘Nee,’ antwoordde ik.
‘Ik wel,’ zei ze.

blog-week 17

De nullijn

Week 17

De stad lonkt als een krolse kat. Jongeren verlaten hun geboortegrond om zich te vestigen in steeds vollere steden. Amsterdam, daar gebeurt het. Maar ook Rotterdam trekt, net als Utrecht of Maastricht. Op elkaar gepropt in veel te dure woningen per vierkante meter blijkt aantrekkelijker dan wijds leven in frisse lucht.
Verstedelijking is een wereldwijd verschijnsel. Werk is de voornaamste trekker. Maar ook de gezondheidszorg, het onderwijs en de vrijetijdsbesteding zijn in de stad kwalitatief beter dan op het platteland. Een overprikkelde jeugd zoekt als altijd nog meer prikkels. Bright lights, big city.
Hoe anders beleefden de romantici in de 18e eeuw het platteland dat zij verheerlijkten als paradijs. De Nederlandse schrijfster Elisabeth Maria Post beschreef het in haar boek Het land, in brieven, dat in 1788 verscheen. In het brievenboek corresponderen twee vriendinnen, de stadse Eufrozyne en de dorpse Emilia die de pracht van het platteland vier seizoenen lang nauwkeurig beschrijft. Eufrozyne beklaagt zich op haar beurt over de sociale druk die de stad met zich meebrengt. Op 20 juni 17xx verzucht zij bijvoorbeeld:

“Wij arme steebewoners missen de vrijheid van het land; wij moeten zuchten onder de lasten, die de zogenaamde welgevoeglijkheid ons oplegt; en in onze kleding de navolgers van anderen zijn. Dwaas bedrijf voor de vrije ziel!”

Ik herkende me in deze woorden toen ik dit Pinksterweekend met mijn oudste zus door het zonovergoten Groninger landliep. Een kievit vloog op om ons te waarschuwen niet te dicht haar nest te naderen. Kikkers kwaakten, schapen blaatten, lammeren bedelden om melk bij hun geduldige moeders. Een warme wind geselde mild de lentegroene velden waar het gras nog hoog stond om de kwetsbare weidevogels een laatste kans te geven.
Dit land loopt leeg. Verstoord door gaswinning en de economische wetmatigheid dat we groei nodig hebben. Groei waardoor de binnenstad van Amsterdam dichtslibt, de stad waar ik dit jaar 33 jaar woon, waar mijn dochters zijn geboren. De stad die mij op hakken dwong, met opera en theater verleidde, waar mijn alma mater staat en het huis dat ik het paradijs noem en waar ik de appelboom plantte.
Dwaas bedrijf voor de vrije ziel.

blog-week 16

De nullijn

Week 16

Ze zal een jaar of zeventig zijn geweest, de charmante vrouw die ik twee dagen geleden in de nagelstudio ontmoette. Terwijl haar voeten en mijn handen moesten drogen, vroeg ze om een tijdschrift. Bovenop de stapel lag het blad Mama met op de cover een vrolijk ogende vrouw van ergens achter in de twintig met twee kleine kinderen. Daaronder, in chocoladeletters: “Spitsuur!”
‘Ik geef u even een ander blad,’ zei ik en greep voorzichtig naar de Vogue die eronder lag. ‘Ik denk niet dat u nog erg geïnteresseerd bent in het spitsuur.’
Ze lachte. ‘Het is zoveel makkelijker als oma. Iedereen zegt het, je gelooft het niet, maar het is zo. Ik ben vergeten hoe ik het als moeder heb gedaan. Met twee kinderen. Je doet het. Dat is alles.’
Ze was geschiedenislerares geweest, vertelde ze. Heerlijk had ze het gevonden, ze zou het zo weer willen doen. Ook al moest ze er vijftig minuten voor forensen. Vijftig minuten heen, vijftig minuten terug. En dat als alleenstaande moeder. ‘De kinderen waren 10 en 4 toen er op een dag een briefje op de keukentafel lag. “Het gaat niet meer”. En weg was hij. Toen moest ik het alleen doen. Hup, de tent in de achterbak en kamperen met z’n drieën. In het dorp praatten ze erover. “Dat gekke mens in haar eentje”. Ik bleef toch import, ik hoorde er niet bij. Maar de meisjes zijn goed terechtgekomen. De een is arts, de ander werkt bij een museum. Het is goed gegaan.’
‘U hebt het goed gedaan,’ zei ik.
‘Ach,’ zei ze. ‘Je doet het. Dat is alles.’
Ze mist hem niet, haar ex-man. Een paar jaar geleden verruilde ze de oude gezinswoning in de provincie voor een appartement in de stad. Daar woont ze met veel plezier, in haar eentje. ‘Niet dat ik niet van mannen houd hoor,’ zei ze, ‘maar het is wel gedoe. Op mijn leeftijd hebben ze allemaal zo’n buik. Een biertje, nog een biertje, nog een. En dan dat groene grasveld dat de hele avond het televisiescherm vult. Ik ben blij dat ik daar vanaf ben.’
Haar ex-man heeft al lang een andere vriendin. Maar soms ziet ze hem nog fietsen in haar buurt, hopend dat hij haar tegenkomt, de moeder van zijn kinderen. ‘Dan zie ik hem zitten en denk ik: joh, ga naar je vriendin. Maar als je kinderen hebt, kom je nooit meer helemaal van elkaar af. Het contact is goed hoor, ook met hem en onze dochters. Maar ik mis het niet, mijn huwelijk. Ik mis eigenlijk alleen de tuin.’

 

blog-week 15

De nullijn

Week 15

Terwijl in Nederland een polemiek over hedendaags antisemitisme losbarstte[1], liep ik met mijn zangvriendin Irene door de binnenstad van Tbilisi. We waren met ons koor Angels op bezoek geweest bij ons Georgische zusterkoor Sathanao met wie we twee concerten gaven en nieuwe Georgische liederen leerden. Na een intensieve week vol muziek hadden we een ochtend vrij. Sommigen van ons gebruikten de tijd om naar een traditioneel badhuis te gaan, anderen kozen voor een rommelmarkt. Irene en ik besloten een religieuze wandeltocht te maken. We kleedden ons decent en namen een sjaal mee.
Het zindert van religie in Tbilisi. Reizend door het land met onze Georgische zusters viel het al op dat zij een kruis sloegen bij elke kerk waar we langs reden. We bezochten de Svetitskhoveli kathedraal waar volgens de overlevering de lijkwade van Jezus begraven ligt en beklommen het kloostercomplex van Ananuri waar op de oostelijke façade van de Moeder Godskerk een engel op hoge hakken was uitgehouwen. Dat schiep een band.
De kerktorens in Tbilisi kun je niet op twee handen tellen. Op zondag weerklonk uit de spelonken van de heilige huizen overal koormuziek, als eerbetoon aan hem die zo node wordt gemist op de wereld. Maar het zijn niet alleen christelijke kerken die het straatbeeld bepalen. Op nog geen halve vierkante kilometer van elkaar staan de Georgisch-orthodoxe Sioni kathedraal, de Grote Synagoge en de Jumah moskee, allemaal vrij toegankelijk, mits vrouwen het hoofd bedekken. Wat wij zonder moeite deden. De bibliotheken van de synagoge en de moskee leken op elkaar als druppels water. Alleen de talen van de uitleenbare boeken verschilden: Hebreeuws en Arabisch. Voor mij beide net zo onbegrijpelijk als het Georgisch dat op geen enkele taal lijkt.
In het David Baazov Museum of history of the Jews of Georgia and Georgian-Jews leerden we dat het antisemitisme in Georgië vrijwel onbekend was. Volgens de informatie van het museum hielpen de joden om kostbare orthodoxe iconen in hun huizen te verbergen nadat Agha Mohammed Khan in 1795 vanuit Perzië Georgië was binnengevallen. Wat dat voor de Georgische moslims betekende vertelde het museum niet, maar uit de ondertiteling van de informatiefilm viel op te maken dat in Tbilisi moslims, joden en christenen eeuwen vredig naast elkaar hadden gewoond, met respect voor elkaars rituelen. ‘Uiteindelijk geloven we allemaal in dezelfde God.’ Net als ooit in Bosnië.
Ik geloof niet in de God die straft en verdeelt, het religieus fanatisme dat uitsluit en bedreigt. Maar wat ik deze ochtend ervoer in de binnenstad van Tbilisi was de gedeelde hoop, dat blinde verlangen naar een troost die groter is dan de geschiedenis rechtvaardigt.

[1] Zie bijvoorbeeld de column van Paul Scheffer in NRC Handelsblad van 1 mei en de voetnoot van Grunberg in de Volkskrant van 4 mei.

 

blog-week 14

De nullijn

Week 14

April is the cruellest month, breeding
lilacs out of the dead land, mixing
memory and desire, stirring
dull roots with spring rain.

T.S. Eliot
The Waste Land

Dit weekend bezochten wij de ouderdag van de studentenvereniging waarvan onze oudste dochter lid is geworden. We zagen stralende jonge vrouwen die na een onzekere tijd van ontgroening en selectie voor jaarclubs en commissies elkaar herkend leken te hebben. Ze omhelsden elkaar veelvuldig. Ze dronken ook veel bier.
Eerder deze week, terugkomend uit Aruba, trof ik het overlijdensbericht van Alexander, een jonge man van 51 jaar met wie ik ruim dertig jaar geleden in het sociëteitsbestuur zat van de vereniging waarvan ik destijds lid was: SSR in Amsterdam, een van origine gereformeerde vereniging die op dat moment al decennia een “jongerenvereniging” was, zonder ontgroeningen en met veel maatschappelijk verantwoorde discussies. En veel bier.
De jaarclub van onze dochter heet “Lux”. Die naam hadden ze goed gekozen, dacht ik gisteren. Ze straalden, deze jonge vrouwen, als het lentelicht van de afgelopen week. Uitbundig, fel, verwarmend, zwanger van belofte.
Van mijn toenmalige bestuur zijn inmiddels al twee leden overleden; mijn vriend C. benam zichzelf in de nacht van 4 op 5 april 2004 het leven, Alexander stierf aan de gevolgen van een langdurige ziekte, tot het einde toe vol levensmoed. Hij laat een vrouw en twee kinderen achter.
‘Ik houd van de lente,’ zei mijn dochter laatst. ‘Omdat ze me blij maakt, maar ergens ook triest. Ik word er melancholisch van. Alsof alles wat begint in zichzelf weer eindig is.’

blog-week 13

De nullijn

Week 13

Op afstand van Nederland neem ik het binnenlandse nieuws dat via de iPad mij toch dagelijks bereikt op een andere manier waar. De huizenmarkt is oververhit. Het onderwijs holt achteruit. En terwijl eindelijk de zon doorbreekt, wordt er veel aandacht aan depressie onder jongeren besteed; zij lijden onder de hoge verwachtingen en de als noodzaak ervaren druk om te excelleren.
Het nieuws gaat over mij. Toen wij rond de millenniumwisseling op zoek gingen naar ons eerste koophuis, was de gekte net zo reëel als nu. Ik zie me nog halsoverkop naar Haarlem en Hilversum rijden als er een huis op de markt kwam; je mocht al in je handjes knijpen als je de eerste was die kon komen kijken. Ik hield er een grondige hekel aan makelaars aan over met hun geklets over authentieke details. Dankzij mijn man bleven we in Amsterdam.
Mijn kinderen zaten op een heel leuke basisschool, maar lezen en schrijven blijft ingewikkeld. De regel rond d’s en t’s lijkt nooit echt goed uitgelegd en het bezittelijke voornaamwoord mijn, of vooruit m’n, is in alle appjes die ik krijg al jaren me. “Me fiets is stuk.” Ik verwijt het de leerkrachten niet, maar jammer is het wel.
En dan de prestatiedruk; ik schreef er verschillende opiniestukken over in de Volkskrant. Ik heb er zelf in de jaren tachtig en negentig ook last van gehad. Door de toenmalige werkloosheid onder academici deed ik niet een, maar twee studies (dat kon toen nog), waarvan ik er een cum laude afrondde. Ik pimpte mijn cv op met bestuursfuncties en een stage aan de Université Paris IV Sorbonne wat nog steeds heel goed klinkt. Maar 167 sollicitatiebrieven later kroop de afwijzing toch onder mijn huid. Ik heb nooit meer een gelukkige verhouding tot werk gekregen. Als freelance journalist en schrijver heb ik prachtige ervaringen opgedaan, maar het geworstel met de financiële beloning ervan en de voortdurende druk dat je zo goed bent als je laatste stuk, heeft me niet altijd gelukkiger gemaakt. Als ik naar mijn eigen website kijk, verbaas ik me soms over de hoeveelheid tekst die erop staat. Wanneer had ik de tijd dat allemaal te schrijven? En hoe kan het dat ik ondanks die prestaties me toch zo vaak mislukt hebt gevoeld?
Gezeten op het eiland Aruba bij mijn zus die hier lerares Engels is, kan ik meer mededogen opbrengen voor degene die ik in Nederland vaak denk te moeten zijn. Niet omdat ik het van mijzelf verwacht te moeten excelleren, maar omdat we in een normatief land leven, dat prachtig is geordend, maar ook streng is voor zichzelf. Amsterdam is een heel mooie, maar ook onaardige stad die bovendien steeds gesegregeerder lijkt te raken. Je moet de juiste mensen kennen om bij de juiste clubs te horen, langs de kleuren van onze huid en onze bankrekening worden harde grenzen getrokken. Als ik volgende week weer over de grachten fiets en mensen op de terrassen zie zitten, hoop ik dat ik kan kijken met de ogen van Aruba: door het weer gedwongen soms rustiger aan te doen. Met minder spullen toekunnen, omdat je toch vaak buiten zit en het op pumps van Jimmy Choo zo lastig lopen is op het strand.
Hoewel een journalist natuurlijk geacht wordt bovenop het nieuws te zitten, verlang ik soms terug naar de tijd dat je in een verlaten Frans dorp alleen nog de krant van gisteren kon kopen (en dan ook nog de foute). Het tijdsverloop relativeerde de schreeuwende koppen. Misschien dat het daarom komt dat ik deze dagen met meer relativering de kranten heb gelezen, wat me gelukkiger maakte; op Aruba is het zes uur vroeger dan in Nederland. Alles wat daar gebeurt, is hier nog altijd mogelijk.

blog-week 12

De nullijn

Week 12

Hij zou er binnen een half uur zijn, beloofde de telefoniste van het slotenbedrijf ’s ochtends om half tien. Twaalf uur later was het slot inderdaad gemaakt. ‘Een drukke dag, mevrouw.’ De monteur verontschuldigde zich voor de vertraging. Hij was al vanaf 7 uur die ochtend aan het werk, ik was de laatste klant. Een hardwerkende Nederlander. Hij heette Mohamed.

Het was Goede Vrijdag. Mijn man en ik zaten op de bank voor de televisie een glas wijn te drinken. In plaats van Twee voor twaalf keken we naar de Mattheüs passion, semi-live uitgezonden vanuit de Grote Kerk in Naarden. We zagen de premier zitten, en nog veel andere mensen die we belangrijk plegen te noemen, succesvol, topdogs. De recht gerugde houten stoelen in de kerk oogden verre van comfortabel. Rutte luisterde intens naar de uitvoering van de Nederlandse Bachvereniging. Een vrouw die verderop in dezelfde rij zat, keek vooral naar Rutte.
De dag ervoor was The Passion uitgezonden, live vanuit de Bijlmer. Oud-journaal lezeres Noraly Beyer nam de rol van verteller op zich. Zelf woonde ze al 33 jaar in de Bijlmer, vertelde ze trots. Ruim 3,5 miljoen kijkers zagen hoe het glanzende kruis door de getergde buurt werd gedragen. Naar de barokke variant van het lijdensverhaal van Christus die in 1727 voor het eerst werd uitgevoerd, keken op Goede Vrijdag 313.000 mensen. Een daarvan was ik. Ik heb het koorwerk jaren zelf gezongen.
De monteur liep heen en weer door de woonkamer, op zoek naar gereedschap. Op de trap naar boven hield hij even stil. ‘Waar luistert u naar?’ vroeg hij belangstellend, kijkend door de spleet van de treden.
‘Dat is de Mattheüs passion van Johan Sebastiaan Bach,’ antwoordde ik.‘Nooit van gehoord,’ reageerde de monteur.  ‘Maar het is prachtig. Ik word er helemaal rustig van.’
Zelf had ik nog nooit van Tommy Christiaan gehoord, de zanger die in The passion de rol van Jezus zong. Ook niet van de andere zangers trouwens.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau bracht onlangs een rapport uit dat Gescheiden werelden heet. De gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart bevestigden het beeld dat het SCP in dit rapport schetst. Hoger- en lager opgeleiden, wit en zwart, gelovig en ongelovig, stad en platteland, we leven in steeds gescheidener werelden, met eigen helden en hoogwaardigheidsbekleders, en eigen angsten voor de anderen. We willen horen bij wie we herkennen, de vrouw op de eerste rij van de Grote Kerk in Naarden en de huilende bewoners van de Bijlmer. Tegelijk zetten we ons af tegen dat wat ons vreemd is. Wie donderdag naar The passion keek, luisterde vrijdag niet naar Bach.
Toch was het precies hetzelfde verhaal dat twee avonden achter elkaar op televisie werd vertolkt. Een verhaal over lijden, liefhebben, leven, iets wat we allemaal doen. Een verhaal over het verlangen groter te zijn dan de cirkel die we rond onszelf hebben getrokken.

Bij de deur gaf de monteur mij een hand. Zijn dag zat erop. ‘Het is vandaag een feestdag, maar die krijgt u van mij,’ zei hij terwijl hij de rekening opmaakte en het meerwerk voor de bijzondere dag wegstreepte. ‘Weet u welke dag het vandaag is?’ wilde ik vragen. Ik deed het niet.

blog-week 11

De nullijn

Week 11

Zijn. Op het moment dat je wordt geboren, moet je je ertoe verhouden. Er zijn. Iemand zijn. Een ander te midden van anderen.
Sommige mensen gaat dat goed af. Al op het schoolplein tekent zich die gave af. Kinderen die als vanzelfsprekend hun plaats in de groep opeisen, of juist eigenstandig hun eigen weg gaan zonder zich te veel van de anderen aan te trekken. Eigenstandig vind ik een mooi woord. Het is een vermogen op jezelf te staan. Alsof je jezelf eigen bent. Zelfstandig is wat anders. Dan kun je het alleen, het als in leren, werken, leven. Zelfstandig heeft anderen nodig, als tegenwicht. Eigenstandig heeft aan zichzelf genoeg.
Ik ken mensen die niet genoeg hebben aan zichzelf. Niet omdat ze meer willen zijn, maar omdat ze zich minder voelen dan wie ze zijn. Veel van deze mensen functioneren ogenschijnlijk zoals we dat hebben afgesproken. Ze zorgen voor hun man, vrouw, vrienden of vriendinnen, ze bekommeren zich over hun eigen of andermans kinderen, ze werken (vaak hard) en ontmoeten collega’s, ze organiseren feestjes, sporten, koken en heffen het glas. Maar ongeacht de warmte die ze uitstralen, het succes dat ze boeken of het talent dat ze tentoonspreiden, van binnen voelen ze zich niet goed genoeg. Alsof ze zichzelf permanent in de uitverkoop hebben gedaan, omdat ze minder waard(ig) zouden zijn. En hoe hard ze ook werken, dat holle gevoel verdwijnt zelden. De echo van dat gevoel is het verlangen niet te zijn.
Niet zijn is iets anders dan de dood. Wie wil verdwijnen, is niet per definitie suïcidaal. Het is eerder een gebrek aan houvast, alsof de wortels ontbreken die de boom voeden en staande houden. En hoe hard de therapeut ook roept dat iedereen er mag zijn, hoe luid het applaus ook klinkt, je groeit er geen wortels mee die stevigheid geven. Bij mensen die hun eigen waardigheid zo moeilijk weten te bevechten, groeien de wortels eerder uit hun hoofd. Hun vaak dwingende gedachten grijpen als tentakels naar de lucht. Maar de wolken zijn ongrijpbaar. Zij wortelen nooit.
In het Boeddhisme, dat ik in het kader van mijn nieuwe studie momenteer bestudeer, geldt het niet zijn als het hoogst haalbare. Verlost van het eeuwigdurend lijden en de voortdurende incarnatie van de levensdorst. Dat is de paradox van ons bestaan: gezien willen worden en tegelijk niet zijn. Onzichtbaar worden geheeld. Een diep verlangen om, gespeend van houvast, vastgehouden te worden.

blog-week 10

De nullijn

Week 10

Door de ophef over de voorgenomen en inmiddels weer ingetrokken salarisverhoging van de topman van ING, Hamers, dacht ik terug aan een interview dat ik in 2001 had met de oud-topman van Shell, Cor Herkströter. Herkströter was de eerste CEO wiens salaris werd gepubliceerd; in 1997 verdiende hij 3,3 miljoen gulden. Dat vonden mensen destijds ook best veel.
Het interview was onderdeel van een serie voor dagblad Trouw en heette “de Mammon”. Ik sprak met mensen die heel veel geld hadden, zoals landgoedeigenaar Dolf van der Weij, en met mensen die heel weinig verdienden, zoals de dichteres Hagar Peeters. Mammon, geld, heeft dezelfde stam als het woord amen. Beiden voeren terug op het woord vertrouwen.
Zeventien jaar na het verschijnen van deze serie – de financiële crisis van 2008 moest toen nog komen – lijkt de discussie over de beloning van al dan niet met het prefix “top” getypeerde bestuurders onveranderd. In 2001 merkte Herkströter bijvoorbeeld op: ‘Wil je mensen gemotiveerd houden, dan moeten ze zich wel enigermate kunnen vergelijken met hun buitenlandse collega’s – met een nadruk op enigermate. Want je wordt bij wijze van spreken, als je daar gevoelig voor bent, wel uitgelachen, hoor. Je bent wel een enorme sukkel als je met zo’n inkomen genoegen neemt.’ President-commissaris Jeroen van der Veer, ook oud-Shell, had het zomaar gezegd kunnen hebben.
Zelf ben ik dichteres. Dichters kunnen niet leven van hun woorden. Toch prijken hun zinnen boven rouwadvertenties en citeren mensen hun verzen bij huwelijksfeesten of geboortes. Poëzie heeft een niet in geld uit te drukken waarde. Dat blijkt ook telkens als ik mensen uit het zakenleven ontmoet die erachter komen dat ik romans en gedichten schrijf. Dat vinden ze mooi. Er hangt iets van eeuwigheid omheen, iets onstoffelijks waarnaar veel mensen blijkbaar verlangen. Maar ja, het tweede huis in Toscane betaal je er niet van. Dichten is vooral goed voor de dood.
Al sinds ik de serie voor Trouw schreef, vraag ik mij af hoe mannen als Van der Veer en Hamers ’s ochtends opstaan. Hoe zij in de spiegel kijken. Hoe zij elkaar ontmoetten, in vergaderzalen en op golfcourts, en hoe zij elkaar vervolgens geruststellen, dat ze echt geen sukkels zijn, dat het volk het niet begrijpt, dat zij global denken en geen provincialen zijn. Ongetwijfeld zullen zij ervan overtuigd zijn dat ze het persoonlijk waard zijn, die miljoenen. Anders zouden ze toch aan hun eigen schaamte ten onder gaan.
Herkströter zei in 2001: ‘Een inkomen moet afgezet worden tegen de verantwoordelijkheid die iemand draagt.’ In dat licht lijkt het me gepast dat Shell en ING vanaf vandaag gezamenlijk een potje reserveren om het inkomen van basisschool-leraren aan te vullen. In Noord-Holland staken zij vandaag, omdat ze heel veel verantwoordelijkheid dragen voor heel weinig geld. Gemiddeld ligt het inkomen van een ervaren leraar op de basisschool rond de 45.000 euro. Daarvan kunnen zij geen tweede huis in Toscane kopen, maar helaas ook geen eerste huis in een stad als Amsterdam.
Geld, zo ontdekte Herkströter, is een allesbepalende factor voor ondernemers. Maar er zijn waarden die je ook een rol moet laten spelen, zei hij tegen mij. Voor mensen als Van der Veer lijkt dat vooral eigenwaarde te zijn. Voor mij is dat de waarde van het woord. En er is maar een vrouw die mij die waarde leerde: mijn juf Wiggers van de lagere school.

blog-week 9

De nullijn

Week 9

Hij is opgenomen, de autistische man die bijna een maand geleden werd geschorst uit zijn beschermde woonvorm en op straat terechtkwam. De gemeentelijke organisatie die verantwoordelijk is voor beschermd wonen nam contact op met een behandelaar van de GGz en via moeder wist ik waar de man te vinden was. De behandelaar ging met toestemming van moeder naar haar huis en nam de man op vrijwillige basis mee naar een kliniek met plek voor crisisopnames. Daar bleef hij slapen.
De volgende dag wilde hij weg. Maar omdat hij inmiddels behoorlijk zware kenmerken van een psychose vertoonde, belde de psychiater naar moeder. Of ze het een goed idee vond dat hij gedwongen zou worden opgenomen. Zodat hij niet weer op straat terecht kwam. Dat vond zij een goed idee.
Op grond van de huidige wetgeving – de BOPZ – heeft moeder niets over haar zoon te zeggen. Ik vrees dan ook de advocaat die de man, overigens terecht, ter zijde zal staan. Er zijn namelijk advocaten die vinden dat psychiatrische patiënten het volste recht hebben om op straat te zwerven als ze dat willen. Die vinden dat niemand tegen zijn zin mag worden opgenomen, laat staan gedwongen behandeld. Van het woord bestwil gaan zij gruwen. Bestwil ruikt naar beter weten en dat is iets van heel lang geleden, toen we het nog over krankzinnigen hadden en iedereen zomaar kon worden platgespoten.
Wie weet het beter dan deze moeder? Zij heeft haar zoon de laatste tien jaar achteruit zien gaan. Zij heeft ervoor gezorgd dat hij na jaren getob en getouwtrek werd gediagnosticeerd en een beschermde plaats kreeg om te wonen. Zij was het ook die merkte dat hij stemmen ging horen. Hij gelooft niet dat zij zijn moeder is, omdat ze een oudere vrouw is. Zijn moeder is jong, zegt hij. Hij gelooft ook niet dat zijn vader dood is. Hij leeft alsof hij dertig jaar terug is in de tijd. Moeder drong er om die reden al jaren bij de begeleiders op aan meer zorg te bieden aan haar zoon. Maar daar ging zij niet over, zeiden zij.
In de nieuwe wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg die de Eerste Kamer inmiddels heeft aangenomen, krijgt de familie een duidelijker positie bij de behandeling van psychiatrische patiënten. De psychiater die zaterdag moeder belde om haar advies te vragen, liep op deze wet vooruit. Waar veertig jaar geleden moeders van psychotische kinderen nog werd verweten dat hun kinderen ziek waren geworden door hun kille opvoeding – deze moeders werden ijskastmoeders genoemd – dringt nu weer langzaam het besef door dat we het zonder familie niet redden. We zijn geen los zwevende individuen die het allemaal zelf kunnen uitvogelen in deze maatschappij en op eigen kracht het leven vorm kunnen geven. Velen van ons zijn overgeleverd aan de zorg en oprechte bemoeienis van vaders, moeders, broers, zussen, oppassen, buurvrouwen, vrienden en vriendinnen. Zelf liep ik afgelopen zondag nog met mijn broer langs het smeltende ijs op de grachten. Mijn zus heeft mij de afgelopen maanden intensief bijgestaan in mijn persoonlijke geworstel. Vandaag zou mijn schoonmoeder 85 jaar oud zijn geworden en over vijf dagen is het de geboortedag van mijn moeder die al zeventien jaar dood is. Ik mis hen.

blog-week 8

De nullijn

Week 8

Trier is een van de oudste steden van Europa. Trekpleisters zijn onder andere de Porta Negra, een stadspoort van 2000 jaar oud en de Dom waar een prachtig gerestaureerd orgel hangt. Trier is ook de geboortestad van Karl Marx, schrijver van onder andere Het Kapitaal dat als een van de oerboeken van het communisme wordt beschouwd.
In de tijd van Marx gold Trier als een kosmopolitische stad, omdat ze lange tijd tot het Franse Keizerrijk had behoord en kon bogen op een oude geschiedenis van Romeinen en bisschoppen. Maar aan het begin van de negentiende eeuw viel de wijnoogst van het Moezelgebied tegen en woei er een gure economische wind. Het schijnt dat een kwart van de bevolking destijds van de armensteun leefde wat het sluimerende socialistische vuur alleen maar aanwakkerde.
Ook afgelopen zondag was het guur in Trier. Het vroor, de wind snerpte tussen de blokkendozen nieuwbouwpanden achter het oude stadscentrum. Op de hoek van een plein hing een bord waarop stond dat hier vroeger de oude synagoge had gestaan die tijdens de pogromnacht in november 1938 door de nationaalsocialisten met de grond gelijk was gemaakt. Op straat was het uitgestorven. Een enkele toerist maakte een selfie voor de zwartgeblakerde Romeinse muur, een oude non vond haar weg naar de Onze Lieve Vrouwenkerk. De winkels waren gesloten, evenals het Karl Marx museum. Er waren slechts twee winkels open: de erotische seksshop tegenover de parkeergarage en een in sportvisserij en jacht gespecialiseerde wapenhandelaar die de naam Waffen Wagner droeg. Ik moest aan de Ring des Nibelungen denken, de operacyclus van Richard Wagner waarin het wemelt van onderkruipsels, valse liefde en machtswellust.
Dat is wat de grote politieke idealen van de twintigste eeuw ons hebben nagelaten op een koude zondagochtend in een van de oudste steden van Europa. Seks en wapens.

blog-Week 7

De nullijn

Week 7

Ze heeft verzwegen dat ze hem eten brengt, al jarenlang, elke maandagavond. Niemand hoeft te weten dat haar oudste zoon nog steeds van haar afhankelijk is, al woont hij sinds een aantal jaar in een beschermde woonvorm voor mensen die last hebben van autisme. Het liefst was ze tot haar dood voor hem blijven zorgen, maar hij keerde zich van haar af. Hij was volwassen, zei hij, hij zorgde liever voor zichzelf.
Uiteindelijk moest ze hem laten gaan. Ze zocht en vond een organisatie waar volwassen mannen met zijn problematiek konden wonen. Een kamer, een gedeelde keuken, enige zorg in de vorm van een woonbegeleider die nooit lang in dienst bleef. Het verloop van personeel in de geestelijke gezondheidszorg is al jarenlang schrikbarend groot. Het gebrek aan psychiaters in instellingen is nijpend. Het aantal suïcides stijgt. Het aantal bedden in instellingen is sinds 2014 met een derde afgebouwd. We zijn allemaal volwassen, we zorgen allemaal voor onszelf.
Als meisje van zeven ging ik met mijn vader regelmatig naar het psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkte. Hij was directeur-geneesheer van Franciscushof in Raalte dat in 2009 werd afgebroken. Ik schreef er het boek Raarhoek over. Sindsdien houd ik de ontwikkelingen in de GGZ in de gaten. De beddenreductie van minister Schippers. De waarschuwende geluiden van instellingspsychiaters. De afschuw van de administratieve rompslomp die toepasselijk genoeg ROM heet; routine outcome monitoring om te kijken of het allemaal een beetje helpt, die behandeling.
Voor haar zoon helpt voorlopig niets. Na een incident met de zoveelste woonbegeleider is hij op straat gezet. Ze hoorde het maandagavond, toen ze zijn eten kwam brengen. Hij zwierf toen al vijf dagen op straat. De directeur van de instelling vertelt haar niets. Hij is volwassen, zegt hij, hij zorgt liever voor zichzelf. Zij fietst sindsdien de hele stad door om te kijken waar hij is. Een verwarde man. Haar zoon.

blog-Week 6

De nullijn

Week 6

Dus er is gelogen. Daar begint het mee. Daarna is er de schaamte.
Schaamte schuurt. Schaamte holt van binnen uit. Het is de vijand die in je hoofd huist, die je gedachten belaagt, ’s nachts vooral, als de angst voor ontmaskering bezit neemt van de ziel. Wie op kan staan, drukt het weg, dat ondermijnende gevoel een leugenaar te zijn. Liegen is het overlevingsinstinct tegen de zelfhaat. Wie maar lang genoeg herhaalt dat het niet is gebeurd, dat het niet waar is, dat het allemaal anders was, dat het niet erg is of dat de leugen een hoger doel diende, drukt de pijn van de schaamte weg. Minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra weet hoe dat voelt.

Het is wel gebeurd. Het is wel waar. Het was niet anders. Het is wel erg. De leugen dient nooit een hoger doel.

Liegen is liegen. We doen het allemaal. Als iedereen elkaar de hele dag de waarheid zou vertellen, zouden we leven in een hel van kakofonische verwijten. Soms, als ik de kranten tot mij neem of die enkele keer toch Twitter raadpleeg, denk ik dat we al in die hel zijn beland. Ik, die zo op zoek was naar de waarheid, verlang steeds vaker naar de leugen. Ik begrijp steeds beter de mensen wier levens ik beschrijf en die zich in hun verhalen overgeven aan de diepe drang anders te hebben geleefd, zonder die depressies, zonder dat overspel, zonder dat faillissement, zonder die familieconflicten, zonder de dood ook vooral. De mensen wier levens ik beschrijf, willen hun leven liever liegen dan ervaren dat ze hebben geleefd.

Maar soms is er het verlangen van de schaamte te worden verlost. Te worden tentoongesteld als de leugenaar, de overspelige, degene die je nooit hoopte te worden, maar altijd al dacht te zijn. Niemand. Niks.

De angst te worden ontmaskerd kan zo groot worden dat ze tot verlangen groeit. Dat is de reden dat de biecht ooit is bedacht. En de literatuur.

blog-Week 5

De nullijn

Week 5

Dublin is een stad van dichters. James Joyce, de schrijver van het even briljante als onbegrijpelijk Ulysses, wordt er op elke straathoek geëerd, het portret van Oscar Wilde, de schrijvende dandy van onder andere The picture of Dorian Gray, ligt te koop in elke souvenirshop. De toneelschrijver en socialist George Bernard Shaw werd er geboren, een van de bruggen over de rivier de Liffey heet de Samuel Beckett brug, en in de ‘bookstore’ van het ‘Dublin writersmuseum’ kan je voor 5,99 euro de verzamelde gedichten van William Butler Yeats kopen. Wat ik deed.
De stem op de audiotour die ik voor de gelegenheid beluisterde, vertelde over Yeats’ grote liefde, Maud Gonne, wie hij meer dan dertig jaar begeerde en wie hij zeker vier keer ten huwelijk vroeg. Vergeefs. Gonne wees hem telkens af, maar troostte hem met de woorden dat zijn verlangen naar haar zijn poëzie alleen maar voedde. Geen liefde zo wreed of zij hongert naar woorden. Wie alleen maar gelukkig is, schrijft zelden een gedicht.
Is dat de reden dat de literatuur het aflegt tegen de series van Netflix en de miljoenen berichten op sociale media? Heeft de dwingende geluksindustrie die de millenials tot uitputting drijft het licht van het onvervulde gedoofd, het verlangen ingeruild voor de opdracht elk gedroomd doel te moeten bereiken? ‘Het is bijna een plicht om gelukkig te zijn,’ zei de Nederlandse dichter Menno Wigman in 2014 in een interview in Vrij Nederland. ‘Dat is dodelijk voor de mensen die het niet zijn.’

Wigman stierf, 51 jaar oud, op donderdag 1 februari 2018. Terwijl ik door Dublin zwierf, liep mijn tijdlijn vol met zijn poëzie. Slordig met geluk heet zijn laatste bundel die nog werd genomineerd voor de Ida Gerhardtprijs. Ik ben even oud als Wigman en lang niet zo getalenteerd als dichter. Ik heb minder gedronken dan hij en veel meer was gevouwen. Maar zijn gedichten herlezend, realiseerde ik me dat ook ik het vaak ben geweest, slordig met geluk. Op zoek naar meer erkenning, betekenis, succes, het volgende, de ander, het elders. One can survive everything, nowadays, except death, and live down everything except a good reputation, citeerde de stem op de audiotour een van Wilde’s bekendste quotes. Ik dacht aan Menno Wigman en zijn veel te vroege dood en ik keek naar de man met wie ik door het leven loop en ik hoorde Molly Bloom fluisteren (…) and first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume yes and his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes.

               

blog – Week 4

De nullijn

Week 4 

               Traditie is niet het aanbidden van as, maar het doorgeven van vuur

In haar woonkamer tikt de tijd. Aan de muur hangen wel zes massieve Friese klokken. In de glazen vitrine staan tientallen wekkers, uurwerken en pendules. Als kind was ze al gefascineerd door de tijd, zegt ze. Ze kon ademloos naar de wijzers van de staartklok kijken die in haar ouderlijk huis hing. Nee, zegt ze, die klok hangt hier niet. Die heeft haar zuster meegenomen. In haar stem echoot weemoed.
Dit jaar wordt ze tachtig. Zij kan het dus weten, dat het vroeger echt beter was. Toen er nog geen zes Macedoniërs boven haar hoofd woonden. Toen er nog een slager, een smid en twee bakkers in het dorp zaten. Toen de huizen nog bestonden uit een beneden- en een bovenwoning en je die gewoon kon huren. Nu staan ze voor negen ton te koop. Aan de overkant van het water wordt een heel nieuwe villawijk gebouwd. Hoe ze dat vindt, vraag ik. ‘Heel erg,’ zegt zij.
Hoewel geen geboren Amsterdamse – ze komt uit Uithoorn – bracht ze een halve eeuw door in de Wetbuurt, waar ik nu tien jaar woon. In mijn huis kreeg ze twee kinderen met een man die haar eerst bedroog en daarna verliet. Daarna verhuisde ze naar het huis van de buren. Ze hertrouwde, maar haar tweede man overleed te snel, te vroeg, te jong. De tijd haalde haar in, ook toen al.
Gisteravond, nadat ik bij mijn buurvrouw koffie had gedronken, bezocht ik met mijn oudste dochter een bijeenkomst in de stadsschouwburg van Amsterdam. Het debat ging over identiteit en nationalisme en heette geheel in stijl met de dominante verengelsing van het openbare leven the sign of the times. Femke Halsema, oud-voorvrouw van Groenlinks, ging in gesprek met Thierry Baudet, voorman van Forum voor Democratie. Tussendoor droegen acteurs van Toneelgroep Amsterdam teksten voor van grote denkers en schrijvers uit vroegere tijden. Shakespeare, Schiller.

De zaal zat vol. De zaal was jong. De zaal was wit.
In mijn hoofd hoorde ik de klokken van mijn buurvrouw slaan.

blog – Week 3

De nullijn

Week 3 

Oud nieuws. Steeds minder jongeren lezen. Slechts veertig procent van alle tieners leest tien minuten aaneengesloten per week. PER WEEK.
Ik probeer de tijd in taal te vangen. Hoeveel woorden kan ik in tien minuten stoppen? Hoeveel voetnoten van Arnon Grunberg zijn dat? Een sprookje van Godfried Bomans zoals De vijvervrouw, dat ik vroeger aan mijn dochters voorlas, hoe lang duurde dat eigenlijk? Of De zoon van de woordbouwer van de inmiddels vergeten schrijver Frank Herzen, met van die heel kleine letters en zinnen die soms wel vier regels lang waren?
Nijntje, dat ging snel. Misschien dat het iconische knaagdier van tekenaar Dick Bruna daarom kans maakt het pronkstuk van Nederland te worden. Eenvoud en snelheid zijn kenmerkend voor onze huidige identiteit waar we allemaal zo naarstig naar op zoek zijn. Bruna was ook in dat opzicht een visionair.

Net als mijn geboorteland zoek ik opnieuw mijn identiteit. Het is de reden dat ik de nullijn schrijf. Als toetssteen van de tijd. Ik wilde als kind al schrijver worden. Ik schreef mijn eerste dagboek toen ik 11 was en adresseerde mijn brieven aan Anne Frank die immers ook schrijfster wilde worden. Zij, en dat ene zinnetje dat mij als puber naar de journalistiek dreef, stuurden mijn ambities. Wir haben es nicht gewußt. Ik wilde schrijven, opdat nooit meer iemand kon zeggen dat hij het niet wist. Hij had het geweten kunnen hebben, daar ging het om.
Inmiddels is het gebruikelijk dat nieuwssites boven een artikel zetten hoe lang het duurt om het te lezen. 9 minuten, dat lukt nog net. Meer dan 10 minuten is te lang geworden. Bewegende beelden vervangen het geschreven woord. Een filmpje van enkele minuten zegt meer dan een verhaal van 2400 woorden. Dat niet erg, hoor ik mijzelf fluisteren. Het geschreven woord heeft niet het alleenrecht op de waarheid.

Morgen spreekt Maarten Asscher in de Aula Lutherse Kerk. Hij neemt afscheid als directeur van Atheneum Boekhandel. De boekhandel op het Spui waar eens de provo’s dansten om het Lieverdje. Het woord is dood, lang leve het woord, is de titel van zijn afscheidssymposium. Ik zal erbij zijn. Lang leve Nijntje.

blog – Week 2

De nullijn

Week 2 

In een rotsvast vertrouwen dat ze Jezus zal ontmoeten, wacht tante op de dood. 95 is ze. Ze leest Geert Mak en Jan Siebelink, kijkt graag naar De slimste mens, noemt Donald Trump ‘een varken’ en heeft het over ‘roomsen’ als het om de buren gaat. Vijftig was ze toen haar man stierf, met wie ze een dochter heeft. Die ziet ze nooit meer. De dochter heeft na een lange reeks psychiatrische opnamen het contact met haar moeder verbroken. Het is zo lang geleden dat zelfs de herinnering niet meer wringt. Tante citeert uit het evangelie van Johannes, de parabel van Jezus en de overspelige vrouw. ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

God sterft uit. Met elke tante die hij opneemt in Zijn heerlijkheid verdwijnt Hij verder achter de horizon die mijn familiegeschiedenis tekent. In minder dan drie generaties is de Heere der heerscharen failliet verklaard zonder dat de mogelijkheden van een doorstart zijn onderzocht. De vanzelfsprekendheid waarmee mijn ouders in hun liefdesbrieven nog over Zijn genade schreven – ze hoopten op een groot gezin – is in een halve eeuw verpulverd tot het stof dat altijd al een dreigend toekomstperspectief was voor gelovigen. Denn alles fleisch es ist wie gras.
Met de kracht van het nu heeft het hiernamaals aan aantrekkingskracht ingeboet. Maar naarmate ik zelf ouder word, verschijnen op mijn tijdlijn steeds meer herinneringen aan de schepping. Weilanden gehuld in mist, regenbogen boven de Amstel, wolkenluchten zoals alleen Hollandse schilders die weten te vangen. De techniek van de troost mag dan onherkenbaar veranderd zijn de afgelopen vijftig jaar, het verlangen ernaar blijkt onveranderlijk.

Tastend naar verzoening met de breuklijn in mijn eigen leven, zal ik tante gedenken, mocht de Heer zo genadig zijn haar dit jaar nog naar huis te halen. Want van haar komt de kracht en de eerlijkheid, tot in eeuwigheid.

 

blog – Week 1

De nullijn

Week 1 

Al het begin is een herhaling. Ik ben als eerste wakker. De koffie smaakt als gisteren. Facebook herinnert mij aan de tijd. Vier jaar geleden postte ik dit bericht naar aanleiding van de verschijning van mijn eerste roman.

Lieve vrienden, dank voor al jullie lieve berichten op mijn verjaardag. Ik heb dertien dagen mijn computer niet geopend, 30 afleveringen Downton Abbey gekeken (een aanrader), met onze dochters op het graf van mijn zusje Anneke gestaan waarop de woorden Gloria in excelsis Deo staan, en mij dankbaar gerealiseerd dat ‘schrijven een uitstekend middel is tegen de gevolgen van het vergeten’ zoals (geparafraseerd) Alain de Botton en John Armstrong schrijven in hun prachtige boek Kunst als therapie. En dat is het: muziek, beelden en – voor mij – schrijven zijn een manier om structuur te geven aan het onbenoembare, de ‘dingen’ die we vroeger God noemden, of kunst, of liefde. De dingen dus. Heb een rijk en oprecht 2014.

Ik was 47 geworden. Nu ben ik 51.

Ik ruim, als altijd op 1 januari, de kerstboom op. Alsof de geur van stervend hars de opmaat tot het nieuwe jaar belemmert. Ik verschuif de piano die al jaren onder de trap staat en daardoor gewond is geraakt. Het gruis van de schoenen van de kinderen heeft zich in de flanken van het hout gekerfd. Kinderen die zich naar boven spoeden, naar eigen kamers en eigen beloftes, their rooms of their own.
Ik verwacht dat ik over de helft van mijn leven ben. Ik heb ruim 25 jaar gewerkt als journalist en schrijver, het beste middel tegen het vergeten. In die kwart eeuw is het woord beeld geworden; Instagram is het archief van de moderne tijd. Ik post een foto van een babysokje. Ik krijg vier likes.
Ik sta op de nullijn van mijn leven. Alles kan opnieuw beginnen, zoals het begon toen ik 25 was. Het grote verschil zijn de drie vrouwen die ik mijn dochters noem en die ik langzaam laat vieren, als de schoot van het schip.
Het schip werd schoot wordt schip.