2019

blog- De dingen

De dingen

5

‘Ik verdien meer dan jij,’ zei de advocaat tegen de publicist. Ze zaten samen in een forum en discussieerden over de rechtsstaat. Die wordt heel belangrijk gevonden. Zonder rechtsstaat geen vrijheid. Binnen de EU worden Polen en Hongarije als schrikbeelden genoemd. Turkije zet rechters gevangen. Dat moeten wij allemaal niet willen. De democratische rechtsstaat is ons grootste goed.
Een goed dat wordt verdedigd met geld. Advocaten in toga protesteren tegen de aanhoudende kortingen op de gefinancierde rechtsbijstand. Rechters trekken ten strijde tegen de werkdruk en van de werkelijkheid losgezongen bestuurders. Iedereen heeft het over tekorten.
‘Als je in deeltijd wilt werken, moet je maar naar de rechterlijke macht.’ Dit kreeg een advocaat-medewerker te horen die vond dat de cultuur van overwerk wel wat nuance kon gebruiken. Het zijn opmerkingen als deze waaruit een ander tekort blijkt. Een tekort aan werkelijke betrokkenheid. Een tekort aan het besef dat met het recht in de hand de uitverkoop is begonnen. Niet in financiële, maar in morele zin. De commercialisering in de advocatuur, aangewakkerd door de komst van Angelsaksische kantoren eind jaren negentig van de vorige eeuw, heeft ertoe geleid dat het recht een product is geworden met cliënten als consumenten. Het aantal advocaten is sindsdien schrikbarend toegenomen en net als de verslavingszorg heeft de advocatuur er baat bij dat de ellende blijft. Private prosperity (uurtarieven van 500 euro en meer) leidt meer dan eens tot public poverty.
We zouden het recht als een publieke zaak moeten beschouwen, net als onderwijs en gezondheidszorg. Alle artsen en advocaten in loondienst en op gelijke voet betaald als rechters en leraren.
Een communistisch waanidee, ik hoor de Zuidas al weer mopperen. Maar het zou de rechtsstaat wel eens ten goede kunnen komen.

blog- De dingen

De dingen

4

NRC Handelsblad publiceerde dit weekend in de bijlage “Leven” drie artikelen van of over vrouwen die betekenis zoeken, de zin van – de naam van de bijlage zegt het al – leven. Of de zin in leven. Sofie Rozendaal, begin dertig, schreef openhartig over haar ervaringen als serial dater (haar woorden). Na haar echtscheiding (‘De droeve apotheose van een huwelijk dat nauwelijks een jaar stand had gehouden’) begon ze te daten, vooral via online apps als Tinder. Drie jaar nadien concludeert ze: iedereen heeft een verhaal, en soms is het makkelijker met een vreemde te praten dan met bekenden. Omdat je niets te verliezen hebt. ‘Misschien zijn het vooral de verborgen verhalen van mensen die mijn interesse blijven wekken’, schrijft Rozendaal. ‘En die tegelijkertijd bevestigen dat ik vooralsnog goed op de markt lig.’
Dat laatste zinnetje, daar gaat het om. Goed in de markt liggen is een reden van bestaan. Rozendaal zit op Twitter, Instagram, heeft een eigen YouTubekanaal met fluisterfilmpjes en heeft net een contract getekend om haar memoires te schrijven. Sofie mag er zijn.
In dezelfde bijlage beschrijft Marjoleine de Vos dat wie gezien wordt, bestaat. ‘Waardering en eer zijn sterke drijfveren voor ons handelen,’ schrijft ze. ‘De honger naar waardering blijkt ook uit het hartstochtelijke verlangen naar likes en volgers, het bijkleuren van het eigen leven in de hoop dat onzichtbare toeschouwers zullen juichen like, like.’ Niet dat al die likes genoeg zullen zijn, weet De Vos. ‘Het zijn lege vormen van waardering, ze vervullen niet.’ Dat is inderdaad de indruk die ik krijg als ik naar de filmpjes en foto’s van Rozendaal kijk. Mooie vrouw, maar haar memoires lijken me met zo’n naar waardering snakkend bestaan best saai.
Twee pagina’s verder, in nog steeds diezelfde bijlage, staat een interview met bestuurskundige Willemijn Dicke die een boek schreef over haar zoektocht naar zingeving, De sjamaan en ik. Het zal mijn eigen leeftijd zijn, maar dat boek ga ik wel lezen. Dicke beschrijft hoe ze – ongeveer zo oud als Rozendaal nu is – ongelukkig was met haar op het oog succesvolle bestaan. Ze had geen slecht huwelijk, gezonde kinderen en was op weg hoogleraar te worden. ‘Ik had een vastomlijnd idee van hoe mijn leven eruit moest zien. Welke diploma’s daarbij hoorden, welk huis, wat voor vrienden. Ik had blij moeten zijn, maar ik was het niet.’ Met een andere baan, drank of antidepressiva viel het existentiële gat niet te dempen, vertelt Dicke. Wel met geloven. Noem het God, noem het liefde. ‘Waar ik diep in geloof is dat elk menselijk handelen een uiting is van liefde, of een roep om liefde.’

blog- De dingen

De dingen

3

Door de verijsde, witte wereld fietst een man. Eén kind voorop, één kind achterop. Ze hebben mutsen op en sjaals om, alleen hun rode neuzen zijn zichtbaar. Het meisje achterop zingt. Luidkeels. Er komen wolkjes uit haar mond.
Het is bijna twintig jaar geleden dat B. zo fietste met een dochter voorop. Ik lag in het kraambed met een tweede meisje, hij nam de oudste mee naar buiten, Boudewijn de Groot indachtig. Fietsen met dat kind! Toen hij terugkwam, huilde de dochter. ‘Ze is helemaal van streek,’ zei B. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is.’
Ik tilde het kind uit het stoeltje. Haar handjes waren ijskoud.
Bij de geboorte van een kind wordt niemand in één keer ouder. Zoals de openbaringen uit de religieuze tradities niet in een keer tot de profeten kwamen, zo is het inzicht wie welke troost behoeft, of warme wanten, geen kwestie van een helder visioen. We moeten ervaren wat het betekent met een kind op de fiets te zitten, jij bezweet van het trappen, het kind verkleumd voorop. Opvoeden is een groot empirisch onderzoek. En je heel vaak vergissen.
Ik passeer de vader met gepaste snelheid. ‘Een zingend kind achterop,’ zeg ik.
Hij kijkt me even aan en knikt. ‘Heerlijk hè.’

 

blog – De dingen

De dingen

2

Ze reageerde opgetogen, mijn in Paramaribo geboren vriendin. De armband die ik voor mijn verjaardag had gekregen, was Surinaams, dat wist ze zeker. ‘Al die steentjes, die zijn tegen het boze oog.’
Aan mijn deur hangt een vergelijkbaar oog. Gekregen van een andere vriendin die een jaar in Instanbul woonde en daar een prachtig boek over schreef, Het veer van Istanbul (2010). In mijn jonge jaren droeg ik het handje van Fatima om mijn nek. Overal schuilt bescherming.
Terwijl in Nederland de regenboogvlaggen niet aan te slepen zijn als protest tegen de homofobe en tegen transgenders gerichte Nashville-verklaring, en SGP-voorman Kees van der Staaij het in cartoons en schotschriften om zijn oren krijgt, ben ik beschermd tegen het boze oog. Ik sta daarin niet alleen. 84 procent van de wereldbevolking noemt zichzelf religieus[1] en tot de overige 16 procent – waartoe ik mijzelf reken – horen ook de zogeheten ‘ietsisten’ die weliswaar niet in G’d geloven, maar wel dat er ‘iets’ is tussen hemel en aarde. Dat is de grote paradox van het menselijk bestaan; we willen ergens bij horen en tegelijk sluiten we daarmee onherroepelijk anderen buiten. Jezus is liefde en Mohammed vreedzaam en tegelijk veroordelen christenen en moslims elkaar en andersdenkenden binnen hun eigen gemeenschap en schuwen ze geen geweld als het om hun waarheid gaat. Een waarheid die niemand kan bewijzen; anders is het geen geloven meer.
Het is niet de armband die mij beschermt tegen het kwaad. Het is de gever die mij troost. Een gever die mij ook heeft gekwetst. Want dat is wat de mens zo hartstochtelijk naar het hogere doet zoeken, naar wat hij als sterveling maar niet kan verklaren: de blauwe plekken van het bestaan, de wanhoop, het onrecht, de feilbaarheid, hoe kunnen we dat verdragen als we ons niet gedragen weten door iets wat groter is dan onszelf? Het gaat om de liefde, zegt de een. Alles draait om G’d, zegt de ander. Noch het een, noch het ander is wetenschappelijk te bewijzen. Wel het verlangen ernaar.

[1] https://www.groene.nl/artikel/84-procent-van-de-wereldbevolking-is-religieus

blog-De dingen

De dingen

1

Hij noemde het “de dingen”, mijn schoonvader. De dingen die ertoe doen. Niet het zichtbare succes, maar het onbenoembare dat achter het leven schuil gaat. De dingen. Het is de titel van dit nieuwe blog.
Van alle filosofen die ik heb geprobeerd te lezen, staat Albert Camus (1913-1960) mij het helderst voor de geest. Dat het leven zinloos is, maar niet waardeloos. Dat het nastreven van geluk vergelijkbaar is met het naar boven rollen van een steen tegen een rots, zoals Sisyphus deed. Een steen die telkens weer naar beneden rolt. En dan opnieuw beginnen.
Zoals elke eerste dag van het nieuwe jaar ruimde ik 1 januari de kerstboom op. Ik had dit jaar een grote boom gekocht, te groot vond mijn man. Of, en zo ja welke betekenis ik aan een grote boom hechtte, durf ik niet te zeggen. Ik weet alleen dat ik er graag een wilde. Toen ik hem kocht, wist ik ook dat hij de boom te groot zou vinden. Toch deed ik het. Een daad van klein en kleinburgerlijk verzet, een streven naar eigenheid in verbondenheid. “In de plaats waar de boom valt, daar zal hij zijn” (Prediker 11:3). Het was de tekst die ik voorlas op onze trouwdag.
Een boom optuigen om drie weken later weer af te breken, is even zinloos als betekenisvol. Als het leven zelf. Wetende te zullen sterven, lijkt ons dagelijks streven soms zo nutteloos. Toch gaan we weer aan het werk, zoeken we onze collega’s op, maken we ons zorgen of er wel nieuwe opdrachten zullen komen, proberen we goede voornemens tot werkelijkheid te scheppen en publiceren we boeken, ongeacht of er lezers zullen zijn.
“Au milieu de l’hiver, j’apprenais enfin qu’il y avait en moi un été invincible”, schreef Camus in zijn essay L’Eté (1954). Midden in de winter begreep ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer schuilgaat. Dat zijn de dingen. Een warm hart en een te grote kerstboom die ons huis ooit kleurde in wit en zilver licht.